Angst in de coronatijd zag er voor mij soms anders uit dan mensen verwachtten. Ik kon rustig lijken en toch bezorgd zijn. In dit persoonlijke verhaal kijk ik terug op de chaos van mijn jeugd, op familieherinneringen en op mijn behoefte om menselijk en betrokken te blijven tijdens een crisis.
Over deze terugblik. De oorspronkelijke publicatie dateert van 2 januari 2022. De tekst is op 24 oktober 2026 redactioneel herwerkt, met behoud van de persoonlijke verhaallijn. De coronapassages beschrijven die eerdere periode; dit is geen actueel infectie- of vaccinatieadvies. Familiegeschiedenis wordt verteld zoals ze hier werd herinnerd of overgeleverd, zonder onafhankelijke bevestiging van ieder detail. Het verhaal noemt verlies, emotionele onveiligheid en suïcidepogingen in het gezin.
Mijn ervaringen zijn geen verklaring voor iedere andere persoon. Een rustige buitenkant bewijst niet dat iemand geen angst kent, en een moeilijke jeugd bepaalt niet hoe iemand op een latere crisis móét reageren. De vroegere woorden “tijdelijk trauma” waren onduidelijk: een crisis kan tijdelijk zijn, terwijl de gevolgen lang kunnen duren. Het verhaal stelt geen diagnose.

Angst in de coronatijd: bang zijn en toch rustig lijken
In die coronaperiode dacht ik: dit zijn enge tijden. Ik was het eens met mensen die zich zorgen maakten. Tegelijk leek ik niet altijd zo bang als zij verwachtten. Dat verschil tussen wat zichtbaar was en wat ik beleefde, wilde ik onder woorden brengen. Ik wilde niet hoeven bewijzen dat ik voldoende angst voelde om de situatie ernstig te nemen.
Ik zocht een verband met mijn jeugd. Ik was vertrouwd geraakt met spanning in huis, met onvoorspelbaarheid en met het wachten op wat er zou gebeuren. Voor mij voelde de nieuwe onzekerheid daardoor niet uitsluitend nieuw. Dat was mijn eigen duiding achteraf. Ik kan er niet uit afleiden dat een jeugd vol onrust iemand bestand maakt tegen een pandemie.
De vraag die mij bezighield, blijft herkenbaar: hoeveel kun je aan een ander zien? Iemand kan praktisch handelen, koken of een gesprek voeren en ondertussen veel dragen. Een ander toont zijn angst juist duidelijk. Ik wil die reacties niet rangschikken in sterk en zwak, gevoelig en ongevoelig, of goed en verkeerd.
Een winkel, harde stemmen en veel zwijgen
Chaos voelde in mijn ouderlijk huis soms als een smog die overal hing. Emotioneel rustige dagen herinner ik me als zeldzaam. Mijn moeder had een kruidenierszaak en het werk vulde een groot deel van het gezinsleven. Maar de onrust ging voor mij verder dan de drukte van een winkel. Verheven stemmen en schrille eisen konden plots de sfeer bepalen.
Vooral het zwijgen daarover vond ik verstikkend. De woede en de depressieve perioden van mijn moeder, zoals ik die toen meemaakte, en de reacties van mijn vader maakten mij bang. Wat binnenshuis gebeurde, mocht de zaak niet schaden. Zo herinner ik me dat we nauwelijks spraken over iets wat ons voortdurend bezighield.
Angst, verplichting en schuld waren woorden waarin ik later herkenning vond. Het zijn hier beschrijvingen van mijn ervaring, geen vastgestelde medische kenmerken van een gezin. Mijn oudste zus stelde dingen ter discussie. Toen zij uit huis was, werd ik degene die vragen stelde. “Doe normaal tegen mij”, hoorde ik van mijn vader. Voor mij betekende normaal vaak dat ik de bestaande situatie moest aanvaarden.
Tot die zware herinneringen behoren de terugkerende suïcidepogingen van mijn moeder. Mijn vader bleef daarbij soms opvallend kalm. Ik weet niet of dat zijn manier was om het vol te houden. Wanneer hij wel reageerde, ontstond er ook spanning tussen hen. Een kind kan zulke situaties niet dragen of oplossen. Ik beschrijf wat dit voor mij betekende, zonder hun binnenwereld achteraf volledig te kunnen verklaren.
In mijn herinnering voelde ik me als kind verantwoordelijk voor de stemming van volwassenen. Mijn eigen kind-zijn kreeg minder ruimte dan ik nodig had. Dat zegt iets over mijn beleving en de verantwoordelijkheid die bij mij terechtkwam. Het is geen reden om uit deze tekst een persoonlijkheidsdiagnose van mijn ouders af te leiden.
Verlies vóór mijn eigen herinneringen
Er was ook de angst voor kindersterfte. Mijn ouders hadden een zoon verloren door een bloedziekte, enkele maanden na zijn geboorte. Ik probeerde later te begrijpen wat dat verlies voor mijn moeder betekend kon hebben. Of het meespeelde in latere gezinskeuzes kan ik niet weten. Het verdriet verdient erkenning zonder er een sluitende verklaring van ons hele gezinsleven van te maken.
Mijn moeder had haar eigen vader op achtjarige leeftijd verloren, in 1929, aan een leverziekte. Hij runde een bouwonderneming. Volgens de familiegeschiedenis had zijn overlijden ook zware financiële gevolgen. Daarna kwamen de oorlogsjaren. Wanneer ik over mijn jeugd nadacht, keek ik daardoor ook naar onzekerheid die al vóór mijn geboorte aanwezig was.
Mijn vader kreeg later zware maagklachten. Als jongste zoon zat ik bij zijn bed, terwijl mijn moeder in de winkel stond. Mijn grootmoeder, die veel samenhield, was toen al gestorven. Ik herinner me de nabijheid en de bezorgdheid. De medische oorzaak van zijn klachten kan ik uit die herinneringen niet vaststellen.
Oorlogsverhalen en Franse druiven
Over mijn vader werd verteld dat de achttiendaagse veldtocht en de vlucht naar Zuid-Frankrijk diep hadden ingegrepen. Volgens die verhalen was er grote honger en hielpen Franse druiven om in leven te blijven. Ook over de terugreis per trein en geweld door de Gestapo werd verteld. Voor mij maakten die verhalen invoelbaar hoe jong mijn vader was toen hij gevaar en ontbering meemaakte.
Vanaf 1943 zou mijn vader geregeld bij mijn grootmoeder in de kelder zijn ondergedoken. In de familievertelling verbleef er ook een Duitse kolonel bij haar. Verder waren er verhalen over familieleden die bij de SS gingen en anderen die zich bij de Witte Brigade aansloten. Ik geef deze passages weer als overgeleverde familiegeschiedenis, niet als afgerond historisch onderzoek naar hun rollen.
Tot 1943 had mijn vader volgens datzelfde verhaal op het gemeentehuis gewerkt, bij rantsoenering en Winterhulp. Er werd gesproken over vrienden die naar kampen verdwenen en over de vrees voor opgepakt worden. Mijn grootmoeder, mijn moeder en boeren die bij hen kwamen, zouden geholpen hebben bij het onderduiken. Ik kan niet ieder verteld verband reconstrueren.
Mijn vaders vader had in de Eerste Wereldoorlog gevochten. Mijn grootmoeder had bij de laatste veldslag in 1918 een broer verloren. Zulke herinneringen maakten de oorlog voor onze familie persoonlijk. Toch kan ik uit hun verlies niet met zekerheid afleiden waarom iemand later een bepaalde politieke of morele keuze maakte. Begrijpen wat mensen meedragen is iets anders dan iedere keuze rechtvaardigen.
Snit en naad, Hooglede en opnieuw beginnen
Ondanks de financiële nood na 1929 kon mijn moeder snit en naad studeren bij de Maricolen in Brugge. Ze verbleef op internaat. In de oorspronkelijke familievertelling komt haar gemis van haar moeder sterk naar voren: ze was enig kind, kreeg een strenge katholieke en Franstalige opvoeding en had weinig vriendinnen. Na haar opleiding kon ze thuis een naaiatelier uitbouwen.
Omstreeks 1936 maakten mijn moeder en grootmoeder vooral kleding voor de burgerij en de boeren in de omgeving. Die contacten werden in de familieverhalen ook verbonden met het overleven tijdens de oorlog. Het atelier was dus meer dan werk: in mijn terugblik hoort het bij de relaties waarop zij konden terugvallen.
Mijn vader had tot zijn achttiende gestudeerd. Verder studeren zou financieel niet mogelijk zijn geweest, onder meer doordat zijn ouders spaargeld aan familieleden hadden uitgeleend. Zo kwam hij als bediende op het gemeentehuis in Hooglede terecht. Een terugkeer daar na de oorlog zat er volgens het verhaal niet in. In mijn eerdere tekst verbond ik dat aan de ingewikkelde positie van oorlogsburgemeesters; ik heb die lokale geschiedenis niet zelfstandig vastgesteld.
Na de oorlog vond hij werk bij een van de bedrijven die in Hooglede werden opgericht. Opnieuw speelden volgens de familievertelling de contacten van mijn grootmoeder mee. Zij kende de plaatselijke burgerij en sprak Frans, mede door haar vlucht- en werkperiode in Zuid-Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. Haar ouderlijke huis was een herberg op de grens van Hooglede en Oostnieuwkerke.
Die plaatsen, talen en beroepen helpen mij begrijpen in welke wereld mijn ouders moesten zien rond te komen. Zij bewijzen niet dat er één onvermijdelijke lijn loopt van oorlog naar hoe ik als kind behandeld werd. Het historische kader en mijn eigen ervaring mogen naast elkaar staan.
Hanekop, grootmoeder en de tuin
Mijn vader ontwikkelde zich na de oorlog tot een goede verkoper van veevoeders. Hij bezocht boeren en gaf uitleg over nieuwe producten voor koeien, kalveren, varkens en kippen. Ik herinner me hoe veel hij onderweg was: eerst met de fiets, later met de eerste auto’s. Het onderwerp Hanekop is voor mij verbonden met die werkwereld, niet met een algemene studie over naoorlogse gezinnen.
Mijn moeder en vader werkten hard, net als mijn grootmoeder en een inwonende tante, haar zus. Voor grootmoeder stierf, woonden we met acht gezinsleden samen. Ik was zes toen ik haar verloor. Zij had voor mij veel samenhang en warmte vertegenwoordigd. Na haar dood stopte mijn moeder met het naaiatelier, nam ze de winkel over en breidde die later uit.
Ik herinner me medicatie en ook wijn in het dagelijks leven van mijn moeder. Wat dat medisch betekende, kan ik niet uit een herinnering diagnosticeren. Mijn eerdere twijfel blijft belangrijk: kan ik dit wel een narcistische familiecontext noemen, of spelen rouw, armoede, oorlogservaringen en andere omstandigheden mee? Ik hoef die vraag hier niet met een etiket te sluiten.
Naast verdriet waren er goede momenten. Ik vond het fijn met mijn vader mee te gaan naar boerderijen en later naar bakkers. Toen ik ouder was, verspreidde ik in Hooglede publiciteit voor de winkel. Ik had veel vrijheid. Bij een buurvrouw vond ik gezelligheid en een plek om te verblijven wanneer ik niets om handen had.
Van mijn grootmoeder had ik in de tuin leren werken. Bij de buurvrouw leerde ik daarover verder. Mijn vader was geen liefhebber van tuinieren en het werd soms een bron van botsingen tussen ons. Juist die kleine herinneringen wil ik niet laten verdwijnen in één verhaal over onveiligheid. Mijn jeugd bevatte ook mensen en bezigheden die iets goeds brachten.
Veranderen, geloven en bij de familie horen
Mijn zussen kozen later verschillende wegen: psychologie, psychiatrische verpleegkunde en, voor mijn jongste zus op langere termijn, de winkel. Ik vroeg me af of wat wij thuis meemaakten daarin meespeelde. Dat blijft een vermoeden van mij, geen vastgestelde verklaring van hun studiekeuze. Iedereen had een eigen verhouding tot het gezin.
Mijn vader praatte thuis niet veel, terwijl hij bij klanten juist allerlei gezinsproblemen hielp oplossen. In de jaren 1965–1968 botsten mijn ouders en mijn oudste zussen over de veranderende levensstijl. Ik koos de kant van de zussen. De katholieke praktijk ter discussie stellen kon thuis straf oproepen. Voor mij voelde het alsof er weinig ruimte was voor een eigen antwoord.
Ook de jonge pastoor, die in de richting van het Tweede Vaticaans Concilie wilde vernieuwen, ondervond volgens mijn herinnering weerstand en verliet onze gemeente. Ik verbond die ervaring later met de lange weg naar een opener kerk. Dat is mijn duiding van wat ik meemaakte, geen bewijs dat alle gelovige gezinnen dezelfde ontwikkeling doormaken.
Op volwassen leeftijd hield de spanning niet vanzelf op. Ik herinner me dat ik enkele weken uit de familie werd gezet en dat twee van mijn drie zussen daarmee instemden. Meningsverschillen over levenshouding en samenleving werden voor mij ook vragen over verbondenheid. Het raakte mij dat ergens bij horen zo voorwaardelijk kon aanvoelen.
Voor mij ging het verlangen naar een democratische, groene en multiculturele samenleving samen met mijn persoonlijke verhaal. Ik wilde dat kinderen en volwassenen ruimte kregen voor hun eigen ontwikkeling. Je hoeft mijn politieke of religieuze duiding niet te delen om te kunnen horen dat uitsluiting en gedwongen aanpassing pijn kunnen doen.
Wie naast deze ervaring over emotionele onvolwassenheid wil lezen, kan kiezen voor ** Ongezien opgegroeid van Lindsay C. Gibson. Ik noem het als mogelijke verdieping, niet als bewijs over mijn familie. Boeklinks met ** zijn affiliatelinks: bij aankoop ontvangen wij mogelijk een vergoeding, zonder extra kosten voor jou.
Quarantaine, gemis en onverwachte paniek
Tijdens de coronaperiode kende ik vrienden die besmet waren en ook een kankerbehandeling ondergingen. Ik zag hen soms rustig blijven ondanks de zware situatie en tegenkanting binnen hun familie. Wat er in hen omging kon ik niet volledig zien. Hun houding maakte mij opmerkzaam voor het verschil tussen uiterlijk functioneren en innerlijke belasting.
Zelf probeerde ik dingen stap voor stap aan te pakken. Meditatie, mijn aandacht ergens op richten en eerst een nacht over iets slapen hadden in mijn ervaring soms geholpen. Dat betekent niet dat emoties werkelijk uitgeschakeld konden worden. Wat ik toen “even parkeren” noemde, was mijn manier om niet alles tegelijkertijd te moeten beantwoorden.
De quarantaine voelde daardoor niet op ieder moment even beangstigend. Tegelijk miste ik mijn kinderen en kleinkinderen. Ik was bang voor hun toekomst en bad dat hen niets zou overkomen. Ik was blij met kleine stappen naar een betere band, na het gemis dat ook de scheiding met hun moeder had meegebracht.
Een operatie van mijn zoon riep juist wél grote paniek bij mij op. Ik wilde hem persoonlijk zien. Toen een verpleegkundige dat tegenhield, kwam er beveiliging bij. Die herinnering past niet in een eenvoudige omschrijving van mezelf als iemand die geen angst voelt. Ook hier had ik geen volledige controle over mijn reactie of over de omstandigheden.
Ik had in mijn leven uitdagingen opgezocht: de paracommando’s, verkoopwerk, marathons en afstanden van honderd kilometer. Hoogtevrees had ik nooit helemaal overwonnen. Mijn eigen geschiedenis laat dus al verschillende reacties zien. Ik wil er geen bewijs van bijzondere onkwetsbaarheid of een vaste traumareactie van maken.
Wat mij hielp, is geen behandeladvies voor iedereen
Ik schreef destijds over zelftherapie, grenzen verleggen en afstand nemen van schadelijk contact. Ook herinnerde ik me dat autogene training en hypnotische meditatie soms hielpen bij hoogtevrees en dat ik na een overval steun meende te vinden in NLP-technieken. Dat zijn persoonlijke herinneringen aan wat ik probeerde. Ze bewijzen geen specifieke werking van die methoden en vormen hier geen behandeladvies.
Afstand nemen was voor mij belangrijk. Toch wil ik de geen-contactregel niet als enige juiste keuze voor iedere lezer presenteren. Zorg voor kinderen, afhankelijkheid, actuele dreiging en beschikbare hulp kunnen de mogelijkheden veranderen. Het verhaal van één persoon kan geen veilige beslissing nemen voor een ander.
Voor bredere informatie dan mijn ervaring biedt de hoofdgids traumaverwerking: klachten begrijpen en passende hulp kiezen een andere ingang. Daar gaat het over ondersteuning en beoordeling, niet over het moeten herkennen van jezelf in mijn familiegeschiedenis. Ook de uitleg over emoties, interpretaties en een pauze vóór je reageert is een aparte reflectievraag; een reactie stelt geen oorzaak vast.
Als aanvullende lectuur staat ** Traumasporen in lichaam, brein en geest van Bessel van der Kolk bij dit verhaal. Het boek behandelt trauma vanuit een brede klinische invalshoek; niet iedere beschreven aanpak heeft dezelfde onderbouwing. Een boek kan vragen oproepen voor een zorggesprek, maar bepaalt niet welke behandeling bij jou past.
Betrokken blijven zonder mensen te etiketteren
Ik wilde in de coronatijd meer dan mijn eigen onrust beheersen. Ik maakte me zorgen over mensen die hun werk of inkomen verloren, over zelfstandigen zonder voldoende vangnet en over mensen die niet konden kiezen voor afstand of rust. Kinderen in instellingen, mensen zonder papieren, zieken, ouderen, gevangenen en alleenstaanden kwamen in mijn gedachten terug.
Thuis bij mijn gezin zijn had voor mij ook een aangename kant. Ik zag mijn vrouw en de kinderen aan hun online werk, kon koken en klussen en was minder alleen. Dat voorrecht stond naast mijn zorgen om de veiligheid van de familie en onze pleegkinderen. Dankbaar zijn maakte de bezorgdheid niet onwaar.
De werken van barmhartigheid, mededogen en solidariteit waren voor mij manieren om die betrokkenheid richting te geven. In mijn toenmalige beschouwing zag ik bij paus Franciscus een uitnodiging tot menselijkheid, terwijl ik binnen christelijke kringen ook weerstand meende te zien. Dat is een tijdgebonden waardering vanuit mijn geloof en maatschappelijke blik.
Ik verzette me tegen zondebokdenken, verharding en het opjagen van mensen via media. In de eerdere tekst verbond ik dat aan politici, onder wie Trump, en aan populisme. Mijn kritiek op uitspraken en politieke keuzes hoeft geen diagnose van die personen te worden. Zorgvuldiger benoemen doet niets af aan mijn wens om tegen uitsluiting op te komen.
Ook thuis zocht ik naar die zorgvuldigheid. Iemand met narcisme etiketteren kan een gevoel van zekerheid geven, terwijl je nog niet weet wat er werkelijk speelt. Ik wil gedrag, gevolgen en verantwoordelijkheid kunnen bespreken zonder mensen tot één woord te reduceren. Nederigheid betekent voor mij dat ik mijn eigen uitleg kan blijven bevragen.
Ik vond het waardevol om andere mensen met pijnlijke gezinservaringen te steunen. Tegelijk hoef je als gekwetst kind later geen voorvechter te worden om een waardevol mens te zijn. En erkenning van slachtofferschap staat niet tegenover initiatief nemen. Wat jou is aangedaan verdwijnt niet doordat je betrokken blijft bij anderen.
Rustig lijken tijdens een crisis: wat vertelt deze terugblik?
Mijn vroegere formulering over het “voorrecht van situationele angst” maakte het ingewikkelder dan nodig. Ik bedoelde dat ik mij soms vreemd voelde bij de manier waarop anderen angst verwachtten. Het is geen erkend vermogen dat ik mis, en geen reden om de angst van een ander te benijden of mijn eigen reactie als voordeel te presenteren.
Het NIMH beschrijft uiteenlopende reacties na ingrijpende gebeurtenissen, waaronder angst, verdriet, boosheid en problemen met slaap of concentratie. Het adviseert professionele hulp als klachten blijven of het dagelijks leven hinderen. Die algemene uitleg bewijst niet waar mijn reactie vandaan komt. Evenmin volgt eruit dat iedere rustige persoon een traumageschiedenis heeft.
De crisis van toen is ook geen maatstaf voor wat jij vandaag moet voelen. Je hoeft niet terug te keren naar een eerdere versie van jezelf zodra een moeilijke periode voorbij lijkt. Wanneer actuele klachten of zorgen jouw leven beperken, kun je die bespreken met je huisarts of een geschikte hulpverlener, zonder eerst een sluitend levensverhaal te maken.
Een persoonlijke herinnering vraagt bovendien ander lezen dan een onderzoeksartikel. Wil je zelf vertellen wat je meemaakte, dan helpt een getuigenis schrijven met aandacht voor jouw grenzen. Je hoeft niets openbaar te maken om serieus genomen te worden. Verhalen kunnen contact mogelijk maken en toch onvolledig blijven.
Een kleine vraag voor vandaag
In plaats van een ander te vertellen hoe bang die zou moeten zijn, wil ik vragen: “Hoe gaat het nu met je?” Dat is een uitnodiging, geen verplichting om het zwaarste verhaal te vertellen. Soms helpt luisteren. Soms is een maaltijd, praktische hulp of een andere afspraak belangrijker dan verder praten.
Ook naar mezelf toe wil ik die ruimte behouden. ** Zelfcompassie van Kristin Neff staat hier als vrijblijvende verdieping bij minder hard oordelen over eigen gevoelens. Het is geen oplossing voor onveiligheid of ontoegankelijke zorg. Mildheid krijgt meer betekenis wanneer er ook iets aan de omstandigheden kan veranderen.
Wil je één klein onderdeel meenemen? Vraag jezelf wat vandaag feitelijk gebeurt, wat jij nodig hebt en welke hulp of aanpassing mogelijk is. Gebruik een alledaags moment, niet je zwaarste herinnering. Je mag stoppen, iets anders doen of de vraag samen met iemand bekijken. Het doel is niet een angstreactie verklaren of de familiegeschiedenis opnieuw beleven.
Misschien kun je jouw ervaring alleen nog omschrijven als “ik weet niet goed wat ik voel”. Ook dat mag. De oefening je emoties opmerken zonder meteen te handelen kan helpen als een kleine volgende stap; zij verplicht je niet om meer te voelen of rustiger te worden. Wij vallen. Wij staan op. Wij groeien.
Welke kleine stap past vandaag bij jou?
Neem mee wat je helpt. Je kunt één inzicht laten bezinken, iets opschrijven of steun vragen. Kies wat bij jouw mogelijkheden past; ook rust nemen mag.
Wil je verder lezen? Kies via Start hier een gids die bij jouw vraag past.
Goed om te weten: onze informatie ondersteunt inzicht en zelfreflectie en vervangt geen persoonlijke diagnose, behandeling of professioneel advies.
Een vraag of fout melden? Neem contact op met ons. Vermeld bij een fout de link en de betrokken passage. Dit contactkanaal is geen crisisdienst.
Lees in onze publicatieprincipes hoe we werken meer over onze achtergrond, bronnen, correcties en commerciële verwijzingen.
Liefs,
Annemie Persyn-Declercq en Johan Persyn
Wij vallen. Wij staan op. Wij groeien.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.