rouwen over een kind dat leeft

Ik staarde naar mijn vermoeid gezicht in de spiegel. Het terugkijkende gezicht leek versuft, de ogen leeg en ongericht. Ik had die nacht amper geslapen en dat was te zien. Dit was mijn buitenkant van rouwen over een kind dat leeft.

Terwijl ik mijn spiegelbeeld bestudeerde probeerde ik mijn gezicht in een plooi te brengen op een manier die mijn hart niet kon wensen. Ik vroeg me even af ​​of mijn zoon over mijn verlies had verteld aan de groep feestvierders. En als ze het niet wisten, moet ik het ze dan vertellen?

Het kwam nooit bij me op dat het niet nodig, praktisch of bijzonder gewenst zou zijn om mijn ervaring aan de feestvierders bekend te maken. Maar zelfs als dat zo was – als iedereen had gevraagd: “Waarom zo down?” — Ik weet dat de woorden uit mijn mond nooit kunnen tippen aan de gevoelens in mijn hart.

Ja, ‘s nachts laat vroeg mijn oudste zoon wat er scheelde? Omdat ik rouwde om het kind, dat niet stierf. De dag voordien kregen we het vonnis dat we geen ondersteunende pleegouders meer waren voor L.

Mijn vaderrelatie met L. was niet typisch. Evenmin was het einde van die relatie want volgens de jeugdrechter kan nu alles in de vrijwilligheid.

Maar onze liefde en ons verlies zouden nooit meer echt kunnen zijn. Weer 10 weken wachten om elkaar terug te zien.

L. is de kleine jongen waar we altijd van zullen houden. Hoewel hij misschien niet langer de mijne is, zal ik altijd de zijne zijn.

Annemie en ik zeiden “hallo” tegen onze zoon L, heel anders dan hoe de meeste mensen hun kinderen ontmoeten. Hem na 6 weken terug zien en dan een week te laat zijn om zijn verjaardag te vieren. Zo typisch L.. Zo’n schat van een kind, hij wilde niet eerst de cadeautjes open doen zoals je van de meeste kinderen zou verwachten, maar wilde eerst samen knuffelen in de zetel met zijn flesje beremelk. Zoals gewoonlijk, als hij toekwam.

We hebben ook een pleegdochter al meer dan 9 jaar en kunnen niet zomaar het pleegzorgsysteem uit ons leven verwijderen. De crisisopvang van L. verliep niet volgens de regels van pleegzorg en er werd zelfs gedreigd om niet verder ons pleegdochter te begeleiden.

Toen de consulent van het ondersteuningscentrum jeugdzorg het netwerk rond het gezin van L. vroeg of er iemand in het professionele netwerk bereid was om voor de 9 maanden oude L. te zorgen dan was het voor ons een gemakkelijke beslissing.

Annemie die dit gezin al meer dan 4 jaar begeleide en de moeder die vooruitgang boekte gaf wel perspectief dat het zou goed komen en dat de plaatsing van L. bij ons ook perspectief gaf aan hereniging.

De moeder van L. daar had Annemie een goed contact mee en zo was het mogelijk om haar band met L. levendig te houden. L. had voor een onbepaalde tijd een huis nodig, want er zou een oplossing gezocht worden zodat de ouders aan hun problemen met verslaving konden werken en dit samen met hun twee andere kinderen. L. was veel te klein voor een voorziening en zou dus bij ons kunnen verblijven zolang als nodig was voor zijn ouders.

Maar pleegzorg besliste anders, L. kon maximum 6 maanden bij ons blijven en ze weigerden een netwerkplaatsing en ook een netwerkscreening te doen. We dachten dat voor dit gezin in die periode wel een oplossing gevonden zou worden en dat het onwettelijk was om zo’n kind naar een instelling te sturen.

Maar na 9 maanden werd dit dus de meest bizarre werkelijkheid die je je kunt inbeelden. Net op de dag van de lockdown 18 maart 2020 gaven we onze pleegzoon L. af aan een instelling waar zijn broertjes verbleven. Dit samen zijn met de broertjes was volgens de jeugdrechter namelijk prioriteit.

We belanden toen in de ondersteunende pleegzorg en de voorziening gaf ons de indruk dat dit kon groeien, een maatschappelijk onderzoek zou wel uitwijzen dat L. bij ons behoorde. Immers gedurende de coronaperiode werd eerder een achteruitgang gezien bij de ouders. Ze hadden het terecht zeer moeilijk om hun kinderen niet te kunnen zien.

We zouden voor L. zijn familie blijven zolang het nodig was. Het was wel heftig telkens het afscheid maar L. evolueerde goed doordat hij bij ons in de helft van de vakantie en elk weekeinde om de 14 dagen kon recupereren. We hadden zo ons rituelen opgebouwd en het klikte met iedereen in ons gezin bijzonder goed.

We hadden eerder nee gezegd om verder te ijveren voor een tweede pleegkind omdat we ons bij de pleegzorgdienst West-Vlaanderen veel vragen stelden.

Maar op deze situatie waar Annemie al zo’n geruime tijd in het netwerk van de ouders zat, gedurende de zwangerschap regelmatig steun verleende, en als één van de eerste L. toen hij geboren was vasthield, konden we geen neen zeggen.

We hadden ook nooit gedacht dat pleegzorg furieus zou reageren op ons, want dat was niet de bedoeling, het leek voor de verantwoordelijke van bijzondere jeugdzorg gesneden brood.

Het kon voor 3 maanden en eventueel verlengd worden met 3 maanden in crisisopvang, maar we moesten geen begeleiding verwachten van de lokale pleegdienst.

Dus reed Annemie alleen naar het gezin van L. om L daar af te halen, met zijn bezittingen in een boodschappentas.

We keken hem diep in zijn mooie blauwe ogen en deden hem een belofte, ik weet niet hoe lang je bij ons zult zijn, maar ik zal voor altijd de jouwe zijn, je bent voor altijd welkom bij ons.

L. noemde ons mama en papa, en de zussen beschouwden hem onmiddellijk als hun broertje.

Het was van ons allen een belofte dat we hem altijd zouden graag zien. Het is een belofte die we houden.

Hij was klein toen we hem ontmoetten.

Hij woog amper 8 kg op 10 maanden en kon niet alleen zitten in een zetel. Gelukkig was hij een goede slaper en zoog hij gretig aan zijn papfles met beremelk. Toen hij helemaal wakker was, straalden zijn blauwe ogen van licht, liefde en de puurste vreugde. We hielden hem veel vast, want knuffelen was hij niet gewoon. De komende 9 maanden werd hij elke dag door iedereen van ons geknuffeld wat hij bijzonder leuk vond.

We namen hem overal mee. Van zijn mama hoorden we dat hij graag op stap ging met de buggy wat we dan ook deden op onze 4 weken vakantie in Amelscheid. We keken toe hoe hij leerde kruipen en dan lopen.

Het woord wat hij meest zei was mama, papa, Helena en Milan. We leerden hem slapen, eten, zingen, muziek beluisteren, trampoline springen, taartjes in de zandbak maken en met duplo spelen. We gaven hem onvoorwaardelijke liefde en de stabiliteit van een gezin. En hij hechtte zich aan ons, diep.

Bij ons thuis was er geen onderscheid tussen ‘biologische liefde’, ‘plusliefde’ of ‘pleegliefde’. We hielden van elk van onze kinderen met alles wat we hadden. We waren 100% familie.

We brachten hem naar de voorziening voor de ontmoeting met zijn ouders, vierden verjaardagen toen het terug mocht samen. Gedurende die tijd dat hij niet meer bij ons mocht wonen, waren we ondersteunde pleegzorg. We maakten ons zorgen en dachten aan hem en vroegen ons af hoe het met hem ging.

We zagen er naar uit om een videogesprek te hebben elke woensdag gedurende 15 minuten wat ondanks zijn leeftijd vrij goed meeviel. We kregen regelmatig fotootjes en videootjes van een bijzonder attente verzorgster in de voorziening, en de rit op vrijdagmorgen naar zijn thuis was een rit vol klassieke muziek, waar ik en L. de maat sloegen.

De jeugdrechter op aanraden van pleegzorg- gaf hem amper een overstap naar de instelling waar zijn broers zich bevonden, en gaf geen toelating voor een terugkeer naar ons gedurende corona waar de voorziening op slot ging voor bezoekers (ouders en pleegouders inbegrepen).

Er werd verteld om hem stipt om 9 uur de vrijdagmorgen te halen en hem de zondag om 17.30 terug te brengen. Hem te horen tetteren van plezier de vrijdagmorgen en het toelopen als hij me zag stond in volledig contrast met zijn reactie de zondagavond.

We hebben hieraan voldaan omdat pleegouders geen rechten hebben ook al zie je hoe traumatiserend het in sommige omstandigheden was. We hebben er alles aan gedaan om het afscheid met ons zo draaglijk mogelijk te maken voor hem.

We hebben gepleit, gesmeekt en geschreven om die tijd dat L. bij ons mocht doorbrengen te verlengen of om voor altijd te duren zolang als nodig voor zijn ouders, zodat we meer tijd kon hebben om dit kind als onze zoon groot te brengen totdat zijn ouders hun taak weer zouden kunnen opnemen.

Hij deed op 17 maart 2020 zijn laatste dutje in ons huis na een verblijf als 10 tot 18 maand oude baby.

In dezelfde periode een jaar later deed hij terug één van zijn laatste dutjes als ons pleegkindje. Het derde laatste om precies te zijn.

Elke dag dat we hem mogelijk voor de laatste keer in ons huis hadden (want van de planning werden we niet op de hoogte gehouden) moesten onze kinderen hem omhelzen en afscheid nemen wat voor hen ook bijzonder moeilijk was.

Ons pleegdochter begreep niet helemaal wat er gebeurde, ook al probeerden we ze voor te bereiden op dit moment.

Annemie hield soms zijn hand vast in de auto toen we hem terug brachten.

Ik nam mijn kleine man in mijn armen, een peuter nu en bijna 3, zijn lichaam loog niet wat hem in de eerste plaats bij ons bracht. Hij sloeg zijn mollige arm om mijn nek. Ik omhelsde hem langer dan ik zou moeten.

Ik plaatste hem in zijn autostoeltje, stak zijn armen door de riemen, terwijl ik dat deed, zijn ogen op mij gericht. Met twee klikken en een ruk was hij veilig. En dan reden we naar huis.

De laatste keren dat we moesten afscheid nemen, brachten we hem naar zijn nieuw pleeggezin. Gelukkig minder verdriet dan elk afscheid voordien. Ik kuste zijn lieve gezicht en bleef in de auto achter terwijl mijn vrouw en kinderen hem binnen brachten.

Toen sloeg elk gevoel rond dit afscheid toe als een tsunami.

Ze zeiden me dat het wel goed zou komen.

Het is nu 3 weken dat we hem gehoord of gezien hebben. Wel een antwoord op onze sms dat de eerste schooldag goed is verlopen. Dat hij flink is. Ze hebben in sommige opzichten gelijk, maar op andere manieren komt het nooit meer goed.

Het is geen dood. Het is een levend verlies. Het is rouwen over een kind dat leeft.

Het was geen dood – en toch voelde het als een dood. Ik herinnerde mezelf zo vaak als ik kon aan de schoonheid dat hij nog bij ons leefde. Ik kan nog steeds hoop en dromen hebben voor zijn toekomst, ook al maak ik geen deel uit van die dromen.

Ook al herinnert hij zich me waarschijnlijk nu niet en de tijd die we als gezin deelden. Hij heeft nog een toekomst en daarin ligt hoop en vreugde. We zien hem misschien terug binnen 7 weken voor een dagje.

En toch. Het was de dood van een levendige pleezorgrelatie.

Het kind dat we van kinds af aan kenden en vanaf 10 maanden hebben grootgebracht, dit kind van wie ik fel hield met een hart, was uit mijn leven. Ik zou nooit meer zijn vader zijn. Misschien ben ik niet waar je normaal aan denkt als een vader die zijn zoon verliest, huilend over het lichaam of de grafsteen van zijn dierbare kind, alle hoop, alle dromen, al het potentieel voor altijd verloren. Maar ik ben beroofd.

Als vader die herhaaldelijk zijn zonen niet zag gedurende periodes, had ik de woorden om mijn ervaringen te beschrijven van het rouwen. Ik kende het verdriet van mijn moeder wegens het verlies van mijn broertje toen ik nog niet geboren was. Ik ken de rouw van het verlies bij een miskraam.

Enkelen in onze gemeenschap gaven steun en bevestiging voor ons verdriet, in het bijzonder een man die zijn dochter verloren was en een vriend die door oudervervreemding zijn 4 kinderen al maanden niet meer ziet en hoort.

Ik wist niet goed hoe ik deze ervaring moest verwoorden omdat ze me net zoveel pijn deed als het afscheid nemen die ik al had meegemaakt. Ik wist niet hoe ik zo’n bedroefde vader moest zijn.

Het rouwen om het kind dat niet stierf.

Ik ben gaan begrijpen dat verdriet zoveel meer is dan alleen een reactie op de dood. Het is ook een reactie op het voor altijd verbreken van een relatie. Het is, zoals ze zeggen, ‘liefde die nergens heen kan’. En er zijn zoveel soorten families die liefhebben en nergens een kind hebben om die liefde aan te besteden.

Een biologische moeder of vader die haar kind ter adoptie heeft geplaatst, in de overtuiging dat ze het juiste doen voor hun kind, beleeft van binnen een pijnlijk gat dat nooit zal worden gevuld.
De familie die geen contact kon houden met een uit het gezin geadopteerd kind.

Vaders en moeders, grootouders en familieleden slachtoffer van vervreemding van hun kind of kleinkind.
Een biologische ouder die de rechten op hun kind niet kon behouden.
Ouders van wie het volwassen kind hen permanent uit hun leven heeft verwijderd.
Een gezin waarvan het kind vermist is.
Een stiefouder die een kind opvoedde, maar geen wettelijk recht had om contact te houden.
Een hoopvolle adoptieouder die werd gematcht met een kind, alleen voor de adoptie om te “falen”, het land om zijn grenzen te sluiten, of voor de ouders om van gedachten te veranderen of de politici die op de pauze knop drukken.
En hoewel de omstandigheden die aanleiding geven tot het verdriet kunnen verschillen, zijn er veel gevoelens die we delen als het gaat om ons verlies.

Er is geen sluiting. Je kunt het L. niet uitleggen.

Het voelt dus als een kind dat ontvoerd is, en dan nog door pleegzorg. We mogen het zelfs niet opzoeken. Elke dag hoop ik nog een stemmetje te horen, een videootje of een videochat te hebben.

Je vraagt je af hoeveel hij deze keer zal veranderd zijn. Er komt geen antwoord.

Het voelt alsof je kind is ontvoerd, en het kan niemand iets schelen. Je hebt niemand om het mee te delen, want ‘het was het plan’. Het succesverhaal dat pleegzorg wil maken. Maar je angsten, bezorgdheid en schuldgevoelens zijn altijd hoog en je hoopt te allen tijde ongeveer zoals ik me voorstel, als nu de gevoelens zijn van zijn biomoeder. De band met de nieuwe pleegouders zal wel groeien, hoe uit zijn verband hij ook was gerukt door de misinformatie van pleegzorg, de voorziening en de jeugdrechtbank consulente.

Aan de ene kant kan ik begrijpen dat het hebben van “geen sluiting van de pleegzorgrelatie” als een goede zaak klinkt. Er is hoop dat we ons kind weer zullen zien!

Aan de andere kant maakt dit gebrek aan afsluiting het zo moeilijk om te rouwen. Toen onze pleegzoon wegging, werd ons bezoek beloofd. Niets staat op papier, geen juridisch bevestiging. Geen zekerheid dat als de pleegzorgbegeleidster of haar team van idee verandert en dat die belofte dus tijdelijk was, zoals zij zelf tijdelijk kan werken in pleegzorg of dat een jeugdrechter in de volgende jaren anders beslist.

We anticipeerden op de verandering in de relatie met ons kind. We treurden dat hij niet “onze pleegzoon” zou zijn en dat we niet meer “zijn pleegouders” zouden zijn. We klampten ons nog steeds vast aan de hoop dat we in de komende weken hem in ieder geval te zien en te knuffelen krijgen, want dat is wat hij nodig heeft.

Gaan deze beloofde bezoeken uitkomen? Gaat er meer zijn dan 5 keer 8 uur gedurende een jaar?

Ik blijf hopen op een sms, een aanbod voor Febe om te babysitten, een extra dag omwille van geen school en opvang.

Elke week zonder contact voelt als een verder afsterven maar de gebroken relatie blijft voor altijd.

Wat zal het volgend jaar met zich meebrengen? Zullen het dezelfde pleegouders blijven en hoeveel keer verandert de jeugdrechter nog van mening. Nu worden zijn beide broers ook in een apart pleeggezin geplaatst en dit al na een jaar waar dat prioritair was. Nu zijn de bezoeken aan zijn broers prioritair boven een regelmatige ondersteunende pleegzorg bij zijn hechtingsfiguren. Terwijl ondersteunende pleegzorg net het vertrouwen om zich te hechten aan de nieuwe pleegouders bevordert.

Waar hij nu woont is zo dichtbij. En toch nog zo ver. En dan vraag ik me af hoelang de vrijwilligheid zal duren, hoelang die pleegplaatsing zal duren? En of hij op een dag, wanneer hij oud genoeg is, zal vragen om contact met ons, ons zal opzoeken en proberen contact te maken online?

Hoewel een gebrek aan afsluiting hoop biedt, kan het ook valse hoop bieden – wat op zijn beurt ons rouwproces vertraagt ​​of bemoeilijkt.

Mijn kind verloor zijn familie. Ik rouwde niet alleen om mezelf. Ik huil ook om zijn verliezen.
We hadden een pleegzoon vanaf de tijd dat hij 10 maanden oud was tot hij bijna drie jaar oud was.

We zien nog altijd in zijn ogen “Kom ik terug?” We zullen altijd aan hem denken en hopen dat het goed met hem gaat!

Hij zal voor altijd ons kleine jongen blijven, maar een rechter en vooral een criminologe hebben het verprutst, en vermist.

Op een dag had pleegzorg dus een beter gezin gevonden dan het onze. Hoewel we behoorden tot het netwerk van zijn ouders zijn we geen bestandspleegouders. Hij leert zijn nieuwe ouders kennen gedurende 2 keer zonder afscheid te nemen van ons. Zijn spullen worden ingepakt en voeren hem naar een nieuw huis. Hier is je nieuwe thuis, je speelhoekje, de paardjes, het zwembad, je slaapkamer, je potje en volgende week ga je voor het eerst naar de kleuterklas.

Misschien wordt hij verteld dat hij nooit meer zal slapen in zijn kamertje naast dat van Febe en H. Je bent net drie jaar en je hebt geen besef van dagen weken en vakantieperiodes.

Je mag nog soms op bezoek bij omi en opi, bij Febe en H, en de hond en het vogeltje. Dat kind vraagt zich af wie is dat nu omi en opi? Dat was toch mama en papa?

Je mag nog op bezoek “zoals verre neven”.

Dat is wat een pleegkind doormaakt. Eerst als ze uit hun huis van herkomst worden gehaald en aan onze zorg worden toevertrouwd. En dan, opnieuw wanneer ze worden gebracht naar een voorziening of teruggebracht naar hun biologische familie of naar een nieuw pleeggezin. Je komt meer gebroken thuis dan je ooit voor mogelijk hield.

Toen onze pleegzoon wegging, treurde ik om het verlies van ons hele gezin. Maar ik treurde ook diep om de verliezen die hij zeker in zijn lichaam en hart voelde, maar hij had niet de woorden om dit te communiceren.

Het is moeilijk om je geen zorgen te maken.
Het voelde alsof we hem in de steek lieten want hij heeft geen stem, en wij waren zijn stem en vertrouwen. Je vraagt je dus altijd af hoe het met hem gaat. Wordt hij geliefd en is hij gelukkig nu?

We zouden die put in onze maag niet hebben, wetende dat ze waarschijnlijk gedeeltelijk het gevoel hebben dat we ze in de steek hebben gelaten. Het voelt zo verschrikkelijk eenzaam.

Er zijn overal triggers.
Het is zo ingewikkeld. Maar het verdriet en het hartzeer zijn echt en we hebben mensen nodig die ons daarin steunen en het erkennen en ons vertellen dat we goed hebben liefgehad.

Ons kind was diep geworteld in ons leven. Elke routine, de structuur van ons huis, ons schema, veel hebben we georganiseerd rond deze plaatsing van L. in ons huis. Zijn vertrek voelde als het telkens weer openscheuren van een wond voor ons maar ook voor hem.

De herinneringen worden bitterzoet als je ze niet verwacht zoals op Facebook.

Nu hebben we een herinneringsdoos, een dagboek en binnenkort een fotoboek. We denken terug aan de verjaardagen de feestdagen, de vakanties die we samen hadden.

Kinderen rouwen om het verlies van een potentiële broer of zus door pleegzorg, net zoals we zouden kunnen rouwen om het verlies van een kind tijdens de zwangerschap. Die broer of zus voelde als hun eeuwige broer of zus. En als ouders moeten we niet alleen om onszelf rouwen – we moeten onze andere kinderen helpen om te gaan met hun verlies rond het verlies van hun pleegbroer.

Er is geen tijdlijn voor verdriet, zeggen ze. En dat geldt ook voor het verlies van het levende kind.

We willen nog steeds over hem praten en vinden het geweldig als iemand zijn naam zegt.
Er valt ook iets te zeggen over het altijd onthouden van dat kind. Ik zal altijd zijn vader zijn voor de eerste 3 jaar van zijn leven. Hij zal altijd in mijn hart en gebeden zijn. Ik vergeet een pleegkind niet zomaar als ze weggaan. We gaan eerdaags een boom planten in onze tuin.

Ik zal altijd dankbaar zijn dat onze familie en vrienden de kleine L. hebben leren kennen. Ik vind het geweldig als ze zijn naam zeggen, me herinneren aan een herinnering die we deelden, of als ze zich iets grappigs herinneren dat hij deed. Hoewel ik misschien niet zijn pleegvader ben zal hij ook altijd een pleegzoon in mijn hart zijn.

We waren voor die korte tijd ouders. We waren verliefd op die lieve schat. Ik kan niet zomaar ‘blij zijn dat het vroeg is gebeurd’ dit soort afscheid. Ik kan niet gewoon “vertrouwen dat het allemaal voor het beste was.” Die gevoelens komen later. Veel later. We verdienen tijd om te rouwen zonder oordeel. Ik ben zo waanzinnig dankbaar voor degenen die we kennen en liefhebben die zeiden: “Het spijt ons zo voor je verlies.” Zo zijn er weinig. Want dat was het. Het verlies van een toekomst als gezin.

Net zoals velen van ons van onze biologische kinderen beginnen te houden vanaf het moment dat we die positieve zwangerschapstest krijgen, beginnen pleegouders vaak van de kinderen te houden vanaf het moment dat ze hen ‘ontmoeten’.

Of dat nu via een telefoontje, een email of een gedeelde foto is – de liefde, de hoop en de dromen voor dat kind beginnen allemaal. Als een pleegplaatsing mislukt, komen hoopvolle ouders er niet gewoon “over heen” of gaan ze verder. Ze moeten rouwen om het oprechte verlies van een toekomst met een kind van wie ze hielden. Als het zo niet gevoeld wordt, zijn dat dan wel liefhebbende pleegouders?

Het is niet allemaal triest.
Rouw is complex, vooral voor pleegzorg. We rouwen om het verlies van onze familie, maar vieren de hereniging met een ander gezin wat beter is dan in een instelling. Maar de manier waarop dat pleegzorg haar werk hier doet is schrijnend en maakt me ook boos.

Hoewel ik er kapot van was om afscheid te nemen, ben ik nog steeds zo dankbaar dat we de kans hadden om hem te kennen en van hem te houden. Hij is elke traan waard die ik heb gehuild. Uiteindelijk hoop ik dat L. nu voor een lange tijd in zijn pleeggezin is, en de band met zijn moeder hersteld wordt zodat hij bij haar veilig kan thuiskomen. Ik hoop dat zijn moeder alles zal doen wat van haar verlangd wordt. Ik hoop dat ze voor hem vecht! Verdient niet elk kind een ouder die bereid is te vechten om ze terug te krijgen?

Zijn handafdrukken is een dierbare herinnering aan onze tijd met hem.

Ten slotte, verdrietig zijn voor mezelf voelt onbetekenend, gezien alles wat nu goed gaat voor mijn kleine vriend. Over de toekomst niet veel zorgen maken, en het verleden van hem is uitgegomd. Wie kent me om dit te weten? Wie wil het weten?

Onze samenleving heeft het moeilijk om het leven van kwetsbare kinderen te waarderen, de omvang te waarderen van wat er verloren gaat als we een kind verliezen, en empathie te schenken aan verdriet van ouders en pleegouders.

‘Je was niet zijn echte vader.’ Als je bedoelt het is niet mijn bloed, heb je gelijk. Maar als je bedoelt dat ik hem niet dag en nacht heb bevaderd, dan heb je het mis. Voor L. was ik papa.

Je zou beter meer voor je eigen kinderen zorgen. Je hebt hen tenminste. Je zou dankbaar moeten zijn voor de kinderen die je al hebt. Pleegkinderen dat zou ik daarom niet willen.

Als mensen zeggen: “Nou, ze waren toch nooit van jou”, of “het waren gewoon pleegkinderen”, is echt kwetsend.

Het is allemaal zo kwetsend en je wordt zo weinig gerespecteerd als pleegouder in het bijzonder door sommige van de pleegdienst.

Je vraagt ​​je af of je nuttig voor hem bent geweest, of je een verschil hebt gemaakt. Maar ik verzeker je hun mening doet er niet toe, jouw liefde wel en in die schoenen hebben ze nooit gestaan.

Ik hoop dat het nieuwe pleeggezin met ons een goede band wil, en dat zijn mama toch in contact blijft.

Aan al diegenen die rouwen om het kind dat niet stierf, ik wil dat je weet dat je niet alleen bent. Er zijn geweldige gemeenschappen van nabestaanden en van ouders die vervreemding meemaken. Ze nemen je op met open armen. Ze bevestigen de liefde die je voor je kind koestert, ze bevestigen het verdriet dat je voelt bij je verlies, en ze verwelkomen je verhalen over het kind dat je in je hart en niet in je armen houdt.

Heb je verdriet gehad om een ​​kind dat niet stierf? We horen graag je verhalen in de reacties. Bouw je een pleeggezin op, aarzel niet ons te contacteren.

You may also like...

Geef een reactie, vraag of antwoord. Dank je wel!