Ondersteunende communicatie in de begeleiding van kwetsbare mensen.

 

 

Het belang van een goede begeleidershouding/communicatie bij maatschappelijk kwetsbare mensen.

 

Vanmorgen, op weg naar de crèche had ik een “gesprek” met ons 12 maanden oude pleegzoontje Levy. Het was best grappig toen hij met alle mogelijke intonaties kon aangeven wat hij wilde zeggen. Toen dacht ik dat dit mijn interpretatie was van zijn verhaal. Misschien wilde hij helemaal iets anders vertellen. Maar toen ik hem uit de auto haalde, kraaide hij en was alvast tevreden.

Mijn gedachten vloeiden dan ook over naar  Helena.

Zij is ons pleegdochtertje die reeds 6.5  jaar bij ons woont. Aan de leeftijd van 15 maanden kwam ze ons gezin vervoegen.  Onder andere, opgelopen trauma’s bepaalden intussen haar identiteit.  Heel vaak hielpen woorden niet om haar te troosten. Zelf was ik nog maar gestart met mijn opleiding orthopedagogie via afstandsleren en ik hoorde in het vak orthopedagogische methodes en interventies over ’the gentle teaching methode‘ van John Mc Gee.

Deze methode bezorgde me een goed gevoel. Met deze methodiek vertrekt hij vanuit een wederkerige relatie. Of toegankelijk zijn op een manier die gelijkaardig is aan wat gegeven wordt.

Of hoe hij door een simpele manier van aanraken, toch kon communiceren. Door die manier van aanraken onder haar slaap en door haar telkens met dezelfde bewegingen te aaien, kon Helena rustig worden.
Ontelbare keren heb ik dit bij haar toegepast. Nu als bijna 8 jarige, geniet ze er nog van als ik dit bij haar doe.

Bij deze methodiek wordt de focus gelegd op verbondenheid en niet op  het gedrag.  Deze manier van omgaan met haar, heeft er voor gezorgd dat dit opnieuw het begin was om mensen te leren vertrouwen, die haar een gevoel van veiligheid gaf en dat dit gevoel van veiligheid kon versterkt worden met een gevoel van geborgenheid. Of m.a.w., er werd bij haar een  basis van hechting gelegd. De waarde van Gentle Teaching bij onveilige hechting speelt hier dus effectief een rol.

De negatieve levenservaringen werden bij haar vervangen door een nieuw positief referentiekader. Aan de leeftijd van 3 jaar werd bij haar ook “stotteren” vastgesteld als ze in nieuwe , onvoorspelbare situaties terecht kwam.

En waarbij de manier van beleven veel vlugger bij haar ging dan dat ze werkelijk kon uitspreken, kon vertellen. Een logopedie test wees dan uit, dat dit van voorbijgaande aard was. Al zingend zijn we dan een paar maanden met haar door het leven gegaan.
Door te zingen verlegde je de focus van haar probleem.  En dit lukte.

Die manier van mensen aanraken heeft me altijd al geboeid en geïnspireerd.

Emmanuel Levinas, auteur van het Menselijk gelaat (1969, 1987, 2003) stelt dat de aanwezigheid van de ander mij oproept tot het antwoord op de vraag op welke manier ik mij tot hem ga verhouden.

Vanaf het moment waarop ik me bewust ben van het bestaan van de ander als andere-gelijk-aan- mezelf, een subject dus, word ik geconfronteerd met de vraag hoe ik me tot hem zal verhouden.

Als mens ontsnap ik niet aan de oproep die uitgaat van het gelaat van de ander. Louter en alleen mijn aanwezigheid zet mij in de schuld ten aanzien van die andere. We zijn bij elkaar en moeten wat met elkaar. Het is het begin van ethiek en verantwoordelijkheid. “Wat heb jij gedaan” impliceert ook : “Wat ga je nog doen tegenover anderen? “

Zelf werk ik reeds al 5 jaar als armoede consulente in de VDAB.

Mijn doelgroep bestaat  uit arme werkzoekenden, langdurige werklozen die via de normale trajectwerking gericht op arbeid niet aan de slag geraken en van wie er verondersteld wordt dat ze extra ondersteuning nodig hebben om werk te vinden, die uitkeringsgerechtigd zijn of die geschorst zijn.

Mijn visie blijft er bij dat ik de mens benader in het gewoon kunnen zijn. Ik probeer te streven  naar een samenleving waarin iedereen tot zijn recht komt en in zijn waardigheid erkend wordt.

Wanneer ik naar de verhalen van mijn cliënten luister, valt op hoe vaak zij het hebben over de momenten waarop zij object waren voor de ander, de momenten waarop niemand met hen rekening hield.

Ze waren object voor de mensen met wij zij leefden, maar zij waren ook object voor hun werkgever of voor een welzijnsvoorziening.  Zij waren een werkkracht of een geval. Vaak waren zij de derde in een relatie en werden er keuzes gemaakt die geen rekening hielden met hun belangen.

Zij vertellen me ook hoe vaak en hoe zeer zij hebben geprobeerd wel rekening te houden met de belangen van de ander, hoe erg zij proberen het goede te doen. Dat is zo voor mijn mensen, dat is zo voor ons. Het gaat dan niet alleen om de belangen van wie voor ons staat, het gaat ook om wie niet aanwezig is.

‘Meervoudig gekwetsten ‘ is geen doelgroep die duidelijk valt af te bakenen.

Het is geen sociologisch af te bakenen doelgroep. Niettegenstaande ze heel wat gemeenschappelijke kenmerken vertonen in hun maatschappelijk kwetsbare positie. Er bestaat ook geen psychiatrische diagnose, terwijl het tegelijk mensen zijn die kans en risico lopen om bepaalde psychiatrische ziektebeelden op gekleefd te krijgen. Wat hen verbindt is hun meervoudige kwetsbaarheid en het risico hiermee terug gekwetst te worden, wat op termijn leidt tot een zijnsgegeven dat zich permitteert in hun verbindingsproblematiek.

Met het begrip meervoudig gekwetst roepen we op om oog te hebben voor de gekwetstheid en kwetsbaarheid van iemand achter de uitdagende houding, de dwingende of strijdige taal, de afwijking, de afwijzing, het stilzwijgen.

Een appel op het opschorten van oordeel en verwonderd zoeken naar nabijheid, afstemming, contact en dialoog. Dit is niet eenvoudig, en vraagt moed om zich te laten raken door het gelaat van de ander, zoals ook Levinas dit omschrijft.
Ik zou durven stellen, zich te laten raken door het zijn en de expressie van dit zijn van de ander, ook als dit zich presenteert op een lastige, gelaagde of paradoxale manier.

Mijn mensen leven in armoede. Armoede  is een onrecht en een schending van de mensenrechten.  De visie, die er dus van uitgaat van het recht van elke mens op een volwaardige deelname aan de samenleving en een menswaardig bestaan, staat ook bekend als het mensenrechtenperspectief. (Vranken,2007).

Volgens Vranken (2007) is armoede een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en collectieve bestaan.

Het scheidt de armen van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving. Deze kloof kunnen ze niet op eigen kracht overbruggen.  Armoede veroorzaakt uitsluiting. Gezinnen in armoede ervaren dagelijks dat ze er niet bij horen. En als mensen worden uitgesloten van een menswaardig leven heet dat onrecht.

Structurele uitsluitingsmechanismen die liggen aan de basis van armoede en sociale uitsluiting zorgen ervoor dat mensen in armoede geen of onvoldoende toegang hebben tot de basisrechten.

Dit heeft belangrijke effecten op het leven van mensen in armoede. Zo heeft deze uitsluiting enorme gevolgen voor de gevoelswereld van mensen in armoede (Spiesschaert, 2005).

Deze uitsluiting zorgt er ook voor dat mensen in armoede andere kennis en vaardigheden opbouwen dan de rest van de samenleving. Bovendien worden de krachten vaak niet gezien die mensen in armoede ontwikkeld hebben door het opgroeien in een situatie van armoede en sociale uitsluiting.

Al deze elementen zorgen ervoor dat mensen in armoede het moeilijk hebben om deel te nemen aan de samenleving. Deze verschillende effecten als gevolg van een leven in armoede en sociale uitsluiting staan niet los van elkaar.

Ze beïnvloeden en versterken elkaar.  De structurele uitsluitingsmechanismen en de verschillende effecten hiervan zorgen voor een kloof, een missing link  tussen het leven van de arme en dat van de niet arme. (De kracht van Ervaring, Training voor tandems in armoedebestrijding,2014).

De missing link gaat ook over het zich niet bewust zijn dat men al die aspecten van elkaars leefwereld niet kent. Dit niet begrijpen van elkaar, zorgt voor misverstanden in de communicatie. Beide partijen voelen zich onbegrepen.

Ongelijkheid in de samenleving zorgt er bovendien voor dat dominante groepen bepaalde gedragingen, communicatiewijzen, waarden en normen kunnen doordrukken als normaal. Groepen die hiervan afwijken, zoals mensen in armoede, worden vanuit onwetendheid aan de kant geschoven.(Uit het huis,  uit het hart, 1996).

Een lijfspreuk die in m’n bureau hangt is: “als de droom sterft in de mens, sterft de mens “.

Ik durf na een tijdje te vragen aan de mensen welke dromen ze nog hebben.  Je ziet ze dan schrikken, omdat ze waarschijnlijk geen zo’n vraag verwachten van iemand van de VDAB.

Maar dan een fractie van een seconde later, zie je een lichtflitsje in hun ogen. En dan weet je dat je iets weer aangewakkerd hebt. Dan kan ik verder vragen of ze echt hun dromen kunnen vertellen en ze visualiseren alsof ze het nu beleven.

Ik zeg hun dat dat ik dat ook jammer vind dat ze ons geleerd hebben als kind om te stoppen met dromen en dat we moesten denken aan het echte leven. Toch is leven durven dromen. Als je dromen hebt, verminderen ze je angst. Je droom is immers wie je bent en dat zit al lang geleden in je hart en in je geest gezaaid.

Je moet het gewoon verder blijven ontwikkelen, zo komen je talenten weer naar boven die verstopt geweest zijn en dus mag je nooit je dromen opgeven.  En ook al zit het soms heel ver, maar m’n mensen hebben ook dromen. Een eerste stap is gezet.

Communiceren met een doelpubliek van meervoudig gekwetsten is een uitdaging.

Dit heeft veel redenen. Ze zijn zo vaak en diep gekwetst geweest dat vertrouwen ver zoek is. Het vraagt veel tijd een vertrouwensrelatie met een werkzoekende op te bouwen. Naast de meervoudige gekwetstheid heeft deze tijdsintensiteit ook te maken met de zware problematieken waarmee ik te maken krijg alsook met de meervoudige domeinen waarin ik werk.

Ervaring wijst dus uit dat eerst veiligheid moet kunnen geïnstalleerd worden alvorens een herstel in verbinding kan plaatsvinden. Pas dan kan een verbinding met anderen uitgebreid worden. En dit vraagt tijd.

Een hele reeks gevoelens gaan vaak samen met het leven in armoede.

Het gaat om schaamte, schuldgevoelens, uitzichtloosheid, afhankelijkheid, gekwetst zijn, zich misbruikt voelen (zelfs in en door de hulpverlening), machteloosheid, eenzaamheid en zich vastklampen aan een gezinsleven, gevoelens van wantrouwen, een gebrek aan zelfvertrouwen, jezelf niets waard vinden, ongeloof in kunnen of een laag zelfwaarde gevoel.
Maar daarnaast zijn er ook veel krachten en lichtpuntjes, de manier van omgaan met die problemen en kwetsuren. Mensen in armoede weten te overleven.
Ze komen zoveel tegenslagen en problemen telkens weer te boven. Soms sta je verbaasd over de wilskracht en de veerkracht van de mens die ik begeleid, van hun loyaliteit en hun solidariteit, van hun aanpassingsvermogen, hun creativiteit en strijdvaardigheid, hun relativeringsvermogen en humor, hun zorg voor kinderen en huisdieren en hun hoop.

‘Meervoudig gekwetst’ betekent  eveneens voor mij  dat ik gebruik kan maken van diverse of meervoudige  communicatie methoden waarvan bekend is dat ze effectief zijn.

De ene methodiek past beter bij een bepaalde problematiek of bij bepaalde kenmerken van de mensen dan de andere.  De keuze voor een bepaalde methodiek wordt bepaald door het probleem, door hun eigen persoonskenmerken en door mijn eigen houding ten opzichte van hun.

 

Deze presentatie bevat afbeeldingen die zijn gebruikt onder een Creatieve Commons-licentie. Klik hier voor de volledige lijst met afbeeldingen en attributies:

https://link.attribute.to/cc/403950

Een eerste communicatiewijze die ik ontdekt heb, is de theorie van de presentie van Andries Baart.

In april 2018 heb ik deelgenomen aan een trefdag ‘reach out’ georganiseerd door SAM, het steunpunt Mens en samenleving. Een van de gastsprekers was professor Andries Baart. Op deze dag zou hij het dus hebben over deze theorie. Toen had ik daar die Aha- belevenis, omdat ik eindelijk eens een theorie voorgeschoteld kreeg wat mijn intuïtie al jaren duidelijk maakte, namelijk dat het aangaan van een positieve werkrelatie centraal staat in het werken met maatschappelijk kwetsbare groepen.

Baart (2011) vertelde dat hij  2 clusters onderscheidde namelijk:

  1. aansluiting tot stand brengen en op elkaar afstemmen
  2. Weten wat je moet doen.
    Hij vertelde dat op elkaar aansluiten en afstemmen, je bekomt door je in te voegen, begrip te ontwikkelen, trouw en betrouwbaar te zijn, de andere geven dat hij zich kan gaan tonen.

Bij de tweede cluster staan volgende zaken centraal: relatiegericht werken, zorgen vanuit de uitdrukkingshandeling, sensitief zijn voor de behoeftigheid, maken en laten, doelgericht en gefinaliseerd blijven.

M.a.w. vanuit de relatie leven wat er gedaan moet worden, hulp en steun ineen, metterdaad en inderdaad, koersen op vraag, oplossen waar mogelijk, uithouden waar mogelijk, weten waarover het eigenlijk gaat en dan improviseren en doormodderen.

De presentietheorie verwoordt waarom deze relatie zo belangrijk is.

Het vertrekpunt van deze theorie is het aanwezig zijn of het in contact komen met mensen.

Bij  ‘‘mijn mensen’’  gebeurt het soms dat een situatie dreigt te escaleren, doordat bijvoorbeeld een persoon terug in de gevangenis moet of hij of zij het advies krijgt ‘niet-toeleidbaar op de arbeidsmarkt’, of die persoon laat zich eerst opnemen in een ontwenningskliniek. Als zo’n situaties zich voordoen maak ik dat er toch nog altijd contact blijft bestaan. Ik zeg dat ik dan op bezoek ga en er gewoon wil zijn voor hun. 

Soms hebben die mensen echt niemand meer. Dan weten zij en ikzelf ook dat er niet meer over werk of andere opleiding kan gesproken worden, maar dit wil daarom niet meer zeggen dat mensen geen dromen meer hebben. Ook al was het maar over een droom dat je praat, dan geef je weer betekenis aan deze mens, aan deze relatie.

Of presentie is bijvoorbeeld op huisbezoek gaan in een gezin en samen koffie drinken. Recent vroeg een koppel me om langs te komen nadat ze het verdict gekregen hebben dat alle 3 hun kinderen zouden geplaatst zijn in een voorziening vanwege ongecontroleerd drugsgebruik.

Tijdens dit huisbezoek heb ik getoond dat ik het ook niet meer weet, maar heb ik wel samen met hun bekeken hoe het verder moet. In de relatie gaan staan, de dame in kwestie een knuffel geven, de jongste baby eens vast nemen en tonen dat ik er voor hun wil zijn.

Door te zeggen dat ik ook nog verder op bezoek zal gaan bij hun en om op haar vraag positief te beantwoorden om samen met hun het verhaal te schrijven hoe ze dit zullen vertellen aan hun kinderen. Er zijn voor hun, me dienstbaar opstellen en hun ritme volgen.

Andries Baart (2011) zegt dat presentie van levensbelang is bij mensen in wanhopige situaties.

De kwetsbaarheid van mensen staat in deze theorie centraal en het belang van het relationeel werken zonder oordeel, zonder vooroordeel, maar met nabijheid en met aandacht.

Als ik handel vanuit dit denkkader, kom ik binnen in de wereld van de hopeloosheid van kwetsbare mensen en vind ik als hulpverlener grond om handvaten aan te reiken, hoe bescheiden ook, om aan deze wanhoop en chaos te verhelpen.

Je werkt dus vanuit de relatie en je probeert de ander echt te leren kennen en probeert je in hem of haar te verdiepen. Je zoekt de ander op en brengt tijd met hem door. Je deelt wederzijds dingen met elkaar en zo bouw je vertrouwen op. Ook heb je een zo open en onbevangen kijk naar de andere.

Je sluit je aan bij hun leefwereld  en je past je tempo aan dat van de ander aan.  Je gaat soms ook buiten je eigen grenzen als dat nodig is. Het is onvermijdelijk dat mensen soms domme dingen doen, maar dat wil niet zeggen dat je daarom je handen van hen moet af trekken.

Je verlaat dus de andere niet.

Juist kwetsbare mensen zijn het meest gebaat bij mensen die bij hen blijven, die trouw zijn. Zo bouw je geduldig vertrouwen op. Zo communiceer je met de mensen in armoede.  Als hulpverlener ben je iemand anders geworden dan een vreemde, afstandelijke professional.
Als presentiebeoefenaar kies je voor degenen die het meest kwetsbaar zijn.

Een vertrouwensband opbouwen met iemand die heel kwetsbaar is, kan je immers niet zomaar verbreken. Volgens Baart en Carbo (2011) is het doel van presentie  dus het bevorderen van een inclusieve samenleving waarin men omziet naar en zorg draagt voor elkaar, met in het bijzonder aandacht voor degenen die het meest kwetsbaar zijn.

De presentiebenadering streeft ernaar om er zo voor hen te kunnen zijn met mensen die zijn aangewezen op professionele steun om er zo voor hen te kunnen zijn.

Het oplossingsgericht coachen is voor mij een tweede  communicatiemiddel  om te leren omgaan met een doelpubliek die meervoudig gekwetst is.

Dit gaat niet  over het vinden van de oplossing. Het gaat wel over het voeren van nuttige gesprekken die de cliënt of groep verandert waardoor de hoop op succesvolle verandering vergroot, de creativiteit toeneemt, het gevoel van competentie versterkt wordt er een duidelijker kijk op mogelijkheden en volgende stappen ontstaat.

En die kleine stappen kunnen een sneeuwbaleffect veroorzaken waardoor ik samen plots grote successen kan bereiken. Soms kan het inderdaad wel traag gaan, maar dan kunnen we in een stroomversnelling komen.(Van Dam,2017).

De lessen oplossingsgericht coachen van de docent Chris Van Dam heeft me dan ook een sterk inzicht gegeven hoe ik mensen met een armoedeproblematiek verder kan helpen begeleiden.

De metafoor die hij gebruikte dat je als oplossingsgerichte coach als het ware een pitbull moet zijn in het zoeken en zichtbaar maken van hun krachten, sterktes en troeven en dat het bijten intens is,  kan ik alleen maar bevestigen.

Het grote voordeel om oplossingsgericht te werken is dat ik me eveneens inzet op de relatie. Door oplossingsgericht te gaan werken bij mijn relatie met cliënten wil ik verder een relatie opbouwen die berust op vertrouwen en respect.

Ik wil blijven communiceren op een open, soepele en geruststellende manier waarbij dan geleerd wordt hoe je succesvol kan slagen in je traject met de cliënt. Door dit te communiceren ontstaat er hoop.

Mensen zien dat ze al enkele kleine veranderingen kunnen realiseren. Hoop geeft energie of om het met de woorden van Louis Cauffman (2015) te zeggen: ‘Hoop is voor de hersenen, wat zuurstof is voor het lichaam’.

In de contextuele hulpverlening vind ik een derde manier om communicerend te werken.

De hulpverlener zal mensen steunen en stimuleren in het zoeken naar een passende vorm om hun loyaliteit naar elkaar tot uitdrukking te brengen.(Heyndrickx,2016).

Voor mezelf vind ik deze theorie heel doeltreffend als je met gezinnen werkt en met verschillende diensten. Hulpverlenende interventie in de contextuele hulpverlening zijn: erkenning, verwachting van actie en ook een proces van onschuldigen.

In het contextueel denkkader begrijpen we onder dialoog ‘ de werkelijke ontmoeting tussen mensen.

In dialoog is er een geven en een nemen. Als het geven van iemand gezien en ontvangen wordt, neemt zijn vertrouwen in zichzelf en de ander toe. Dialoog werkt als een spiraal, is versterkend voor ieders persoonlijkheid en geeft groeiruimte. In dialoog komen mensen tot hun recht.

Basisveiligheid is een fundament om op latere leeftijd hechtere vertrouwensrelaties op te bouwen.  Hulpverleners die het mandaat hebben om mensen te stimuleren om in beweging te komen, zichzelf in te brengen in hun relaties en gepast rekening houden met anderen, werken verbindend en bouwen aan dialoog.

Preventie betekent hier verbindend bouwen aan een samenleving waar mensen tot hun recht komen. Ook al zijn de verbindingen ernstig verstoord dan nog merken we dat mensen erbij willen horen. Ze hebben nood aan steun, maar willen ook zin geven aan hun bestaan. Dragen en gedragen worden. Dit geeft bestaansrecht.

Mensen kunnen zo gekwetst zijn in hun vertrouwen dat ze de erkenning voor de zorg die ze bieden niet horen. Hier moet eerst geluisterd worden naar hun onrecht en hun kwetsuren voordat een stap kan gezet worden naar herstel van het beschadigd vertrouwen.  (Barbier, Driesen, Heyndrickx, Vansevenant en Van Ongevalle,2011).

Als laatste communicatiemiddel die ik toepas in mijn begeleiding van mijn mensen is het creatief bezig zijn.

Dit pas ik vooral toe in de verschillende groepssessies. Ik heb reeds ondervonden dat creatief bezig zijn helend en verbindend werkt waarbij het proces belangrijker is dan het resultaat. Het maakt zeker iets wakker in je zelf of in dat van de deelnemer. Je kan zich op een andere manier gaan uitdrukken met het beeldmateriaal. Je kan rustig worden als je gaat knutselen, schilderen. Je kan gemakkelijker communiceren en je eigen gevoelens gaan verwoorden. V

oor mensen die moeilijk kunnen praten door wat ze meegemaakt hebben is dit een uitstekend kanaal waar je zoveel kwijt kan. Magische krachten zoals verbeelding, verwerking van trauma’s, toveren met kleuren, eigen creatie, opnieuw dromen, je expressief durven opstellen en openstellen kan van je een ander mens maken.

Dit alles heeft een effect op de verschillende levensdomeinen en voor de kwaliteit van je eigen leven. Op je bek durven gaan en altijd, maar opnieuw beginnen kan gedurende heel dit proces.

Door creatief bezig te zijn, spreek je een algemene taal en dan wordt er geen onderscheid meer gemaakt of je nu bij die doelgroep van mensen in armoede behoort.

Conclusie:

Vandaar dat de begeleidershouding van noodzakelijk belang is hoe je omgaat met deze doelgroep.

Ik heb ze voor mezelf gebundeld in 7 uitdagingen.

In mijn begeleiding van werkzoekenden in armoede gaat het  hem vooral over

de kracht van mensen zien,

hun verhaal beluisteren,

hen niet veroordelen,

de verantwoordelijkheid bij de mensen leggen,

iedereen is evenveel waard,

een relatie aangaan en

je grenzen bewaken.

Met deze uitdagingen heb ik wel een eigen begeleidingsstijl ontwikkeld doorheen mijn jarenlange ervaring met ‘mijn mensen’ op het werkveld. Die mensen hebben me al zoveel geleerd.  Ik heb voor mezelf de opdracht gegeven om aan ‘de arme’ de mogelijkheid te bieden om vrienden te zijn.

De arme werkzoekende  kunnen me onderwijzen, ze kunnen me vormen.

Als ik hun iets wil geven, als ik iets wil bieden, dan zal het van die aard zijn dat zij van mij de gelegenheid krijgen om aan mij meer terug te geven dan wat ik hun gegeven heb. Want dat wil ik:  dat hun wereld en mijn wereld dichter bij elkaar komt.

En ken ik onze wereld dan misschien goed, hun wereld, wie ze zijn, wat ze meemaken, daarvan zie ik slechts op de eerste plaats de buitenkant.

Nooit zal de wereld van de armste uit de miserie geraken als ik niet geloof, niet overtuigd bent dat zij daar zelf kunnen uit opstaan. Daarom moet ik hen vragen me te helpen.

Ik ben diegene die geholpen moet worden om dichter bij hen te komen. Ik zal hen vragen moeten stellen, hun kennis van de miserie serieus moet opnemen.

Communiceren met mensen in armoede vraagt dus een begeleidershouding die getuigt van een respectvolle houding, echtheid, open houding en aanvaarding, een empathische ingesteldheid.

Verbindend werken is dus een langzaam proces waarin mensen terug van betekenis zijn en zich inbrengen in relaties en om in dialoog te kunnen gaan.
Presentie geeft zuurstof aan dialoog binnen de hulpverlening.

In dialoog kan de cliënt zelfafbakening en verdiensten opbouwen. Hij is er van betekenis. Hij is opnieuw iemand. Hij ervaart dat relaties toch betrouwbaar kunnen zijn.

Hieruit kan hij kracht halen om de dialoog op te nemen met wie hij in zijn context verbonden is. Hierin zitten bronnen van kwetsuren, maar ook van genezing.

Het ene kan niet zonder het andere.

Het burgerschapsmodel is dus niet realiseerbaar zonder relationele betrokkenheid tussen de cliënt en de begeleider.

Onze eigen waarden moeten niet opgedrongen worden aan de waarden van de cliënt. Het concept empowerment geeft dus ook heel duidelijk aan dat mensen in armoede wel degelijk over krachten, mogelijkheden beschikken om hun leven weer vorm te geven.

De begeleidershouding is dus van cruciaal belang dat mensen in armoede zich kunnen uit te drukken en zich begrepen weten te voelen. Ik, als armoede consulente, kan de werkzoekenden in armoede mogelijkheden aanbieden en een perspectief aanreiken op een betere kwaliteit van leven.

Alle mensen hebben doelen, talenten en vertrouwen.

Ook alle omgevingen omvatten bronnen, mensen en mogelijkheden. De focus wordt gericht op mogelijkheden, opties, welzijn. Een effectieve begeleiding van mensen in armoede vraagt dat we daarop werken en dat we willen versterken.  Ik zoek naar factoren die het leven van een persoon beïnvloeden en naar methoden om dit te veranderen. Kortom, als armoede consulente, bekijk ik hun kwaliteit van leven.

De kwaliteit van leven of wat men bereikt in zijn leven wordt sterk bepaald door de kwaliteit van de omgeving waarin men vertoeft. Dit stemt overeen met de verschillende levensdomeinen.

Het creëren van een leefbare levensomgeving is een van mijn belangrijkste opdrachten als armoede consulente. Dit biedt me  een stimulans om te ontdekken wat mensen willen en kunnen bereiken met als doel de participatie van mensen in de samenleving.

Mijn persoonlijke mening is dat mensen in armoede nog veel te vaak onder de radar verdwijnen.

Het is een doelgroep waar men niet zo graag mee werkt. Misschien, omdat ze ons te veel doen denken aan wie zijn verantwoordelijkheid dit is.

Zolang wij als hulpverleners niet van uit een onvoorwaardelijke en gelijkwaardige attitude ageren, zal er bij de persoon die we ondersteunen steeds angst en onveiligheid zijn.

Nochtans  zou het prachtig zijn mochten we ooit werkelijk de kwetsbaren in armen sluiten, niet als voorwerp van onze professioneel handelen, maar als onze medemensen, als onze tochtgenoten die ons blijven wijzen op ons mens-zijn: namelijk dat we niet alleen zijn en dat het ons in ons mens-zijn zit ingegoten, ten spijt van alle ideologieën: dat we elkaar gegeven zijn en dat we elkaar dragen, verder dragen.

Meer dan ooit  ben ik er van overtuigd dat het blijvend aanraken van deze mensen in armoede, ooit de armoede zal doen verdwijnen of toch enigszins doen verminderen.

Ik hoop dat mijn communicatiemiddel nl: “Wie durft de ander in de ogen kijken en zeggen: jij raakt mij niet“  helpt als een ondersteunende communicatievorm tegen de strijd in armoede en waarbij er dus sprake is van een dialoog waarin de stem van de cliënt wordt gehoord.

 

Suggesties, vragen of commentaar? Ik antwoord graag.

 

Annemie Declercq

 

cover boek armoede in België

 

 

cover boek hulp bij armoede

 

 

Bronnen:

 

Baart, A. (2011). Een theorie van de presentie. Den Haag, Nederland : Boom Lemma uitgevers.

Baart, A. & Carbo, C. (2013). De zorgval. Amsterdam, Nederland : uitgeverij Thoeris.

Barbier, I., Driesen, H., Heyndrickx,P.,Vansevenant ,K., & Van Ongevalle, M., (2011).
De meervoudig gekwetste mens, gedeelde en verdeelde zorg. Tielt, België : Uitgeverij Lannoo N.V..

Heyndrickx, P. (2016).  Contextuele counseling in de praktijk, het risico nemen opnieuw te geven. Antwerpen, België & Apeldoorn, Nederland: Garant-Uit gevers nv.

Levinas, E. (1969, 1987, 2003) Het menselijk gelaat. Amsterdam, Nederland: Uitgeverij Ambo/Anthos

Spiesschaert, F.(2005). Ervaringsdeskundige in armoede en sociale uitsluiting, inleiding in de methodiek. Leuven, België: uitgeverij Acco.
De kracht van ervaring, training voor tandems in armoedebestrijding.

Vranken, J. (2007). Armoede en sociale uitsluiting, jaarboek. Leuven, België: Uitgeverij Acco.

Van Dam, C. (2017). De oplossingsgerichte coach   Antwerpen, België: uitgeverij Intersentia

 

Deel uw gedachten met ons om waarde toe te voegen.