Deel 1: De lente die stilviel

Het was een koude lente, een van die maanden waarin alles stilviel. In een afgelegen jeugdinstelling, verborgen tussen velden en bomen, verbleef Noah. Hij was pas 19 maanden oud, de jongste van de twaalf kinderen die in leefgroep B samenwoonden. De oudste was zestien. Twaalf kinderen, twaalf verhalen.

Maar sinds de uitbraak van de covid-epidemie begonnen ze zich anders te voelen. De harde maatregelen die daarop volgden, zorgden voor een gevoel van gedeelde geschiedenis. Eentje van afgeslotenheid, van gemis en van spanning.

De dagen gleden voorbij in een soort vertraagd ritme, als stroop door een trechter. Buiten leek de lente zich te ontvouwen zoals altijd — bloesems, vogels, zachtere lucht — maar binnen stond alles stil. Alles stond op pauze, behalve de klok van verdriet. Die tikte verder. Soms luid, soms nauwelijks hoorbaar, maar altijd aanwezig. En elke tik herinnerde hen eraan: dit is niet zoals het hoort te zijn. Dit is overleven, geen leven.

Geen enkele routine kon de leegte vullen die het gemis van ouders en vrijheid achterliet. Zelfs de kleinste dagelijkse momenten — tanden poetsen, boterhammen smeren, pyjama’s aandoen — voelden als handelingen zonder ziel. Alles werd een herhaling van wat niet werkte, van wat slechts oppervlakkig verzachtte. Buiten bloeide het gras en begonnen vogels hun nesten te bouwen, maar binnen groeide slechts het gevoel van gemis. Elke nieuwe dag was er één waarin hoop vocht met uitzichtloosheid. In die trage tijd vloeide verdriet als een achtergrondruis door alles heen.

Deel 2: Onverwacht losgerukt

Noah kwam in de groep terecht zonder enige voorbereiding. Een vreemde slaapkamer. Onbekende muren, bedden, stemmen. Enkel zijn twee broertjes waren daar ook. Hij had die broertjes maar sporadisch gezien. Hij had nog geen echte band met hen kunnen opbouwen. Alles voelde vreemd, afstandelijk.

Iedereen die hem vertrouwd was, werd van hem weggerukt. Geen warme schoot van mama, geen veilige geur van thuis. Zijn kleine lijfje begreep het niet, maar voelde het des te meer. Hij zocht herkenning in de stemmen rondom hem, maar vond ze niet. Zelfs de geur van de lakens was anders, de temperatuur van de kamer vreemd. Hij sliep licht, werd vaak huilend wakker, alsof hij iets zocht dat hij niet meer kon vinden.

Soms tastte hij in zijn slaap met zijn handjes. Hij zocht naar iets wat er niet meer was. Dat kon een knuffel zijn, een hand, of een geur. Zijn ogen speurden elke ochtend hoopvol de ruimte af, maar het vertrouwde bleef afwezig. De begeleiding probeerde hem te troosten, wiegde hem zachtjes, zong liedjes. Maar het gemis had geen vorm die met woorden te stillen was. Het zat in de ruimte tussen de ademhalingen, in het wachten op iets wat maar niet kwam.

Deel 3: Schermen vol verlangen

Slechts één keer per week mochten Mira en Jonas telefonisch contact hebben met hem. De eerste keer dat Noah via een videochat hun stemmen hoorde, reageerde hij instinctief. Hij keek op, draaide zijn hoofd naar het geluid en liep spontaan naar de deur. Daarna begon hij te wijzen. Hij mompelde iets onverstaanbaars. Het was alsof hij dacht dat ze daar stonden — net buiten bereik. Hij dacht dat hij hen kon bereiken, aanraken, vasthouden.

Zijn handjes gleden langs de deur, alsof hij zocht naar een opening, een scheur in de werkelijkheid. Maar de deur bleef dicht. Het scherm bleef scherm. Zijn kleine lijfje begreep het verschil niet tussen beeld en werkelijkheid. De hoop in zijn ogen doofde langzaam uit toen hij merkte dat niemand openging. Hij draaide zich stilletjes om, zijn schouders gebogen, en liet zich op de grond zakken. Zwijgend. Alsof zelfs het huilen hem was ontglipt.

Tijdens die korte momenten zongen we zijn bekende liedjes — liedjes over de zon, over dieren, over thuis. We gebruikten dezelfde toonhoogte, dezelfde gebaren als thuis, in de hoop een brug te slaan naar het vertrouwde. Melodieën boden hem thuis troost. Hij reageerde met herkenning. Een flauw glimlachje brak door zijn tranen heen. Soms probeerde hij mee te neuriën of tikte hij op zijn buikje alsof hij het ritme herkende.

Soms wiegde hij met zijn hele bovenlijfje mee, alsof hij zichzelf in slaap probeerde te sussen. Hij keek aandachtig, alsof hij elk woord probeerde op te zuigen, alsof hij het lied in zich wilde bewaren. Zijn oogjes flikkerden van verdriet naar hoop, van verwachting naar verlies.

Voor een paar tellen vond hij rust in het vertrouwde geluid van hun stemmen. Het was een korte adempauze. Hij bevond zich in een wereld die hij nog niet kon begrijpen. In deze wereld zocht hij wanhopig houvast. Een wereld waarin elke toon, elk refrein, hem even optilde uit het isolement waarin hij leefde.

Maar telkens als het gesprekje diende te stoppen, huilde hij hevig. Zijn hele lijfje begon te schokken van verdriet, als een bootje op een wilde zee. Hij strekte zijn kleine handjes uit naar het scherm. Er was een wanhopigheid die iedereen aan de andere kant de adem benam. Alsof hij dacht dat als hij maar hard genoeg reikte, hij teruggetrokken kon worden naar de armen van zijn mama.

Hij raakte het scherm aan en tikte erop. Hij riep iets wat op “mama” leek. Toen de verbinding verbroken werd, bleef hij daar staan, roerloos. Zijn verdriet brak dwars door de pixels heen, rauw en ongeremd. De begeleiders keken toe, machteloos, met een brok in hun keel, hun handen nutteloos naast zich. Eén van hen liet stilletjes een traan over haar wang glijden. Het enige wat restte, was hem vasthouden, wiegen, zachtjes sussen — en hopen dat het genoeg was voor dat moment. Dat het genoeg was om zijn hartje een beetje bij elkaar te houden tot het volgende stukje contact.

Deel 4: Een wereld die kraakte

De richtlijn was duidelijk: tien weken lang geen bezoek, geen uitstapjes, geen contact met familie. Ook niet via het hek, zelfs geen knuffel van mama of papa vanop afstand. Alles bleef binnen. Geen speeltuin, geen wandeling naar het dorp, geen pleisterplek in het winkeltje op de hoek. Zelfs de herberg waar de begeleiders vroeger wel eens een koffietje haalden, zat potdicht. De poort werd een grens, niet alleen fysiek maar ook emotioneel.

Het enige wat openbleef, was de deur naar elkaar — en zelfs die kraakte. Zelfs verjaardagen gingen stil voorbij. Geen slingers, geen bezoek, enkel een koekje extra bij het ontbijt. Sommige kinderen wisten zelfs niet meer welke dag het was. Er werd zacht gezongen, maar zonder kaarsjes. Zonder vertrouwde gezichten. Enkel de echo van wat had kunnen zijn, vulde de kamer.

Noah begreep het allemaal niet. Hoe kon hij ook? Hij was nog maar net begonnen aan woorden, klanken, kleine zinnen. Zijn wereld bestond uit gezichten, geuren, aanrakingen. Maar de gezichten waren nu vaak bedekt met maskers, de stemmen vermomd achter stress en vermoeidheid. Zelfs knuffels — zijn grootste troost — waren nu beperkt. De begeleiders deden hun best, maar hun handen trilden soms. Het kinderdagritme werd telkens opnieuw in elkaar gepuzzeld, maar er ontbraken steeds stukken.

Deel 5: In de schaduw van frustratie

Voor de oudere kinderen was het nog lastiger. Hun woede, hun angst, hun frustratie vonden uitweg in het enige wat tastbaar was: het eetgerief, de stoelen, de borden. Er sneuvelden kopjes, messen verdwenen, vorken werden gebogen in frustratie. De eetzaal werd een spanningsveld, een plek waar elk geluid kon ontploffen. Sommigen begonnen te schreeuwen om het minste, anderen trokken zich volledig terug. Ruzies laaiden op, ook tussen begeleiders, want niemand kon ontsnappen aan het gewicht van de dagen.

Soms huilde Noah zachtjes in een hoekje, niet zozeer uit verdriet, maar uit onrust. De spanningen in de groep, het gebrek aan routine, de prikkelbaarheid — hij voelde alles. Hij voelde het in zijn buikje, in zijn slaap, in zijn ademhaling. Zijn lichaampje stond voortdurend op scherp, alsof hij niet wist wanneer de volgende klap zou komen. Hij begon voedsel te weigeren, keek angstig om zich heen, trok zich terug in zichzelf. Soms kon hij minutenlang starend naar een muur zitten, zonder geluid, zonder beweging.

Deel 6: De veilige hand van Ya-ya

Eén van de oudere meisjes, Yara van tien, ontfermde zich instinctief over hem. Ze zong zachtjes liedjes voor hem, gaf hem stukjes appel en leerde hem haar naam zeggen. “Ya-ya,” zei hij. Wanneer hij haar zag, klaarde zijn gezicht een beetje op. Ze liet hem kleine tekeningen maken met haar kleurpotloden. Bovendien hield ze zijn handje vast als hij trilde. Ze fluisterde “ik ben hier” telkens als hij onrustig werd. Zij werd een veilige haven in een zee van onvoorspelbaarheid, een anker in een wereld waar niets nog vast leek. En voor heel even, als zij hem zacht over zijn rugje wreef, leek het alsof hij weer adem kon halen.

Deel 7: Begeleiden met lege handen

Op sommige dagen probeerden de begeleiders het tij te keren met kleine rituelen. Ze bakten samen koekjes, maakten knutselwerkjes of organiseerden een binnen-picknick met dekentjes op de vloer. Ze bouwden kampjes van lakens, speelden toneeltjes of lieten de kinderen zelf verzonnen liedjes zingen. Alles om een sprankeltje licht te brengen in de grijze dagen. Maar niets kon echt het gevoel van gevangenschap wegwerken. Het bleef wringen, schuren. De stilte in de nachten was vaak oorverdovend.

Lien, een van de begeleidsters, vertelde later dat ze ’s avonds soms in haar auto huilde. Dit deed ze voor ze naar huis reed. Ze huilde niet alleen uit uitputting. Ze wist ook dat ze de kinderen niet kon geven wat ze nodig hadden. Bovendien konden ze geen nabijheid, ruimte, of warmte van thuis krijgen. Ze voelde zich verscheurd — tussen wat ze gaf en wat tekort bleef. Soms fluisterde ze onderweg naar huis: “Het is niet genoeg, het is gewoon niet genoeg.”

De begeleiders werkten om beurten, met roosters die steeds krapper werden. Sommigen raakten oververmoeid, liepen op hun tandvlees. Anderen trokken zich ziek terug, fysiek of emotioneel opgebrand. Eén van hen, Lien, klampte zich vast aan het ritme als een reddingsboei.

Ze deed alles wat ze kon. Soms zong ze ochtendliedjes met een schorre stem. Ze tekende samen terwijl haar ogen op de klok bleven hangen. Ze vertelde verhalen voor het slapengaan terwijl haar hart brak. Maar ze zei later dat die tien weken de langste van haar leven waren. Er was geen begin en geen einde aan de dagen, enkel doorbijten. Elk uur leek te verdampen in de traagheid van noodzaak. Het was een eindeloze cyclus van zorgen en troosten zonder voldoende ademruimte.

Deel 8: Herkenning en herstel

Toen de maatregelen eindelijk versoepelden en het hek voor het eerst weer openzwaaide voor ouders, stond Noah stil. Hij kneep zijn oogjes samen, alsof hij moeite had om te begrijpen wat er gebeurde. Hij herkende zijn mama niet meteen — tien weken is een eeuwigheid als je pas 19 maanden bent. Maar toen hij haar stem hoorde, zacht en trillend, was het alsof er iets in hem smolt. Hij draaide zijn hoofd, bleef even stokstijf staan, en toen brak iets open.

Hij rende, struikelde bijna over zijn eigen voetjes, en sprong in haar armen. Zijn armpjes sloten zich vast rond haar nek, zijn gezichtje tegen haar hals gedrukt. Hij huilde, zij huilde, de begeleiders huilden. Het was een stilte die brak, een muur die viel, een hart dat openbarstte. Een moment dat zich in ieders geheugen kerfde, als bewijs dat liefde zich niet laat opsluiten.

Deel 9: Littekens in stilte

Wat die tien weken deden met een leefgroep als die van Noah, is moeilijk te vatten. Sommigen werden stiller, trokken zich terug in hun eigen bubbel. Anderen werden harder, alsof ze zichzelf moesten beschermen tegen de pijn van het gemis. Enkelen groeiden net naar elkaar toe, vonden troost in elkaars nabijheid, werden broze bondgenoten in een verwrongen werkelijkheid. Maar allemaal droegen ze sporen.

Niet zichtbaar, niet in littekens of builen, maar in hun zenuwstelsel, hun vertrouwen, hun slaap, hun spel. De lachjes werden zachter, het spel voorzichtiger, de nachten onrustiger. De kinderen kwamen eruit zoals mensen uit een storm komen. Ze waren nat, koud, maar levend. Hun harten moesten voorzichtig opnieuw leren kloppen. En niemand was nog wie ze daarvoor waren. Ieder van hen had iets achtergelaten in die tien weken, iets wat niet zomaar terug te halen viel.

Deel 10: Wat blijft

Noah zou die tijd niet herinneren zoals volwassenen dat doen. Geen data, geen namen, geen chronologie. Maar zijn lichaam, zijn zenuwbanen, zijn huid, zijn hart — die zouden weten. Er was een tijd dat alles op slot zat. Warmte was zeldzaam. Soms kwamen stemmen via schermen. Behalve de liefde van een meisje dat Ya-ya heette.

Haar zachte stem bleef bij hem. Haar appelstukjes bleven bij hem. En haar kleine hand in de zijne bleef als een fluistering in zijn zenuwstelsel. En misschien zou hij op een dag begrijpen hoeveel verschil dat ene kleine anker in de storm heeft gemaakt. Het zou heel misschien voor hem duidelijk worden.

Alles op onze blog is voor Zelfzorg en solidariteit, vaardigheids- en reflectiepraktijk, groei en bewustwording met psycho-educatieve informatie over individu en samenleving.

Op geen enkele manier is dit een aanzet tot haat of geweld, discriminatie of racisme.

€1 per maand… geef je een Oekraïens weeskind opnieuw hoop

✨ Jouw volgende stap naar heling begint hier

Voel je dat dit artikel je raakte? Dat het iets in beweging zette? Laat dat moment niet verloren gaan.

Sluit je aan bij onze online community – een warme, veilige plek waar gelijkgestemden elkaar begrijpen en ondersteunen.

👉 Doe een groeitaak die bij dit artikel hoort. Kleine stappen, grote transformaties.

Laat een reactie achter. Jouw stem kan iemand anders precies de herkenning geven die ze vandaag nodig heeft.

👉 Deel dit artikel met een vriend(in) die worstelt of twijfelt. Soms is één doorstuuractie het verschil tussen vastzitten en vooruitkomen.

🌿 Samen bouwen we aan herstel, kracht en emotionele vrijheid. Steun ons zonder extra kosten door aankopen bij bol. klik op onderstaande afbeelding.

Steun ons zonder extra kost door uw aankopen bij :

Bol Algemeen

https://www.steunfondsvooroekraine.be/donatiepagina

Meer info over Johan Persyn
Meer info over Annemie Declercq

Liefs Annemie

Gebruik het contactformulier!

We zijn benieuwd naar je reactie hieronder!Reactie annuleren