25 kritische regeringsvragen over de alternatieve begroting — en het antwoord van de vakbonden
Wil je vooral weten:
- wat het vakbondsalternatief inhoudt;
- welke belastingen zouden veranderen;
- wie meer of minder zou bijdragen;
- of de plannen economisch uitvoerbaar zijn;
- hoe ze verschillen van het regeringsbeleid;
- wat de gevolgen kunnen zijn voor werknemers, zelfstandigen, bedrijven en uitkeringsgerechtigden.
Inhoudsopgave
België heeft een begrotingsprobleem.
Daar hoeven we niet omheen te draaien.
Maar zodra we dat erkennen, begint pas het moeilijkste gesprek.
Waar besparen we? Waar zoeken we bijkomende inkomsten? Wie draagt welk deel van de inspanning? En welke gevolgen vinden we maatschappelijk aanvaardbaar?
Dat zijn geen neutrale boekhoudkundige vragen.
Dat zijn keuzes.
En precies daarom is het interessant om de alternatieve begroting van de vakbonden niet alleen te bekijken vanuit de argumenten vóór dat voorstel, maar ook vanuit de moeilijkste tegenvragen.
Want een voorstel wordt niet sterker doordat we kritiek vermijden.
Het wordt sterker wanneer we durven vragen:
Klopt de redenering?
Zijn de cijfers realistisch?
Wat zijn de neveneffecten?
Wie wint?
Wie betaalt?
En wat gebeurt er wanneer mooie uitgangspunten in echte wetgeving moeten worden omgezet?
Dat gaan we in deze blog doen.
Geen “vakbonden goed, regering slecht”.
Maar ook geen “de regering zegt dat het moet, dus er is geen alternatief”.
We leggen 25 kritische vragen over de alternatieve begroting van de vakbonden op tafel — vragen die een minister, ondernemer, zelfstandige, econoom, werknemer, gepensioneerde of sceptische burger terecht zou mogen stellen.
En daarna bekijken we hoe het gemeenschappelijk vakbondsfront daarop antwoordt.
Wat bedoelen de vakbonden eigenlijk met een alternatieve begroting?
ACV, ABVV en ACLVB presenteerden in 2026 een pakket van veertien voorstellen dat volgens hun eigen berekening ongeveer 21,2 miljard euro aan extra inkomsten en besparingen zou kunnen opleveren.
Belangrijk: dat is een raming van de vakbonden, geen gegarandeerde begrotingsopbrengst.
Hun uitgangspunt is ook niet dat België helemaal niets aan zijn begroting hoeft te doen.
Het fundamentele meningsverschil gaat over iets anders:
hoe wordt die inspanning verdeeld?
De vakbonden willen minder nadruk op besparingen in sociale bescherming en openbare diensten en meer aandacht voor fiscaliteit, inkomsten uit kapitaal, fiscale uitzonderingen, bepaalde bedrijfssubsidies, fraudebestrijding en loonvorming. Dat is ook hoe het gemeenschappelijk vakbondsfront zelf zijn voorstellen presenteert.
En daar begint ons kritische gesprek.
Belastingen, vermogen en fiscale rechtvaardigheid
1. “België heeft al de hoogste belastingdruk op arbeid van de OESO. Willen jullie nóg meer belastingen?”
Dat is meteen een bijzonder belangrijke vraag.
Voor een alleenstaande werknemer zonder kinderen met een gemiddeld loon bedroeg de Belgische tax wedge in 2025 52,5% van de totale loonkost. Daarmee stond België volgens de OESO bovenaan binnen de OESO voor dit specifieke gezinstype en inkomensniveau.
Dus nee: wie hierover discussieert, kan moeilijk doen alsof arbeid in België nauwelijks wordt belast.
Het vakbondsantwoord is daarom niet: belast arbeid nog meer.
De vakbonden willen juist een verschuiving.
Hun redenering luidt: wanneer arbeid uitzonderlijk zwaar wordt belast, moet je onderzoeken of andere vormen van economische inkomsten relatief gunstiger worden behandeld en of de belastingbasis kan worden verbreed.
Dat is iets anders dan simpelweg “meer belastingen”.
Het gaat over de vraag:
wat belasten we, hoe zwaar en waarom?
Wie die discussie verder wil uitdiepen, kan ook lezen:
Miljardairs belasten in België: is er een eerlijkere manier?
2. “Jullie zeggen dat jullie voorstellen 21,2 miljard euro opleveren. Hoe zeker is dat bedrag?”
Niet zeker.
En dat moet er eerlijk bij gezegd worden.
Het bedrag van 21,2 miljard euro is de optelsom van geraamde effecten van veertien voorstellen van het vakbondsfront. Het wordt door de betrokken vakbondsorganisaties zelf als potentiële opbrengst gepresenteerd.
Maar een raming is geen bankrekening.
Wanneer belastingregels veranderen, veranderen mensen soms hun gedrag.
Bedrijven wijzigen juridische structuren.
Investeringen kunnen worden vervroegd, uitgesteld of verplaatst.
Bepaalde inkomsten worden anders georganiseerd.
Daarom moeten ook bij dit voorstel dezelfde kritische vragen worden gesteld als bij een regeringsbegroting:
- Welke aannames zitten achter de berekening?
- Welke maatregelen overlappen?
- Welke gedragseffecten werden meegenomen?
- Welke opbrengst blijft over na uitvoering?
- Hoeveel kost de administratie?
- Hoe snel kunnen de maatregelen werkelijk worden ingevoerd?
Een ernstig begrotingsdebat begint precies daar.
Niet bij het grootste cijfer op een affiche.
3. “Wat als hogere belastingen op kapitaal ervoor zorgen dat vermogen en investeringen België verlaten?”
Dat risico mag niet worden weggewuifd.
Kapitaal is mobieler dan arbeid.
Een werknemer kan niet zomaar maandag zijn job, gezin en woning naar Luxemburg of Singapore verplaatsen.
Financiële structuren kunnen soms veel sneller veranderen.
Het vakbondsantwoord is echter dat die mobiliteit geen argument mag worden om kapitaalinkomsten principieel buiten een debat over belasting naar draagkracht te houden.
De vraag wordt daardoor complexer.
Niet:
“Belasten of niet belasten?”
Maar:
“Hoe ontwerp je een belasting die voldoende opbrengt zonder ontwijking, kapitaalvlucht of ongewenste investeringsreacties onnodig te vergroten?”
Dat is precies waar Europese samenwerking, gegevensuitwisseling en een goede wettelijke vormgeving belangrijk worden.
4. “‘Een euro is een euro’ klinkt mooi. Maar loon, huur, ondernemerswinst en aandelen zijn economisch toch niet hetzelfde?”
Correct.
Een slogan is nog geen belastingwet.
Wie €1 loon ontvangt, bevindt zich economisch niet noodzakelijk in dezelfde situatie als iemand die €1 ondernemerswinst, dividend of huurinkomen ontvangt.
Risico’s verschillen.
Kosten verschillen.
Kapitaal dat geïnvesteerd werd, kan risico lopen.
Een zelfstandige heeft andere zekerheden dan een werknemer.
Een verhuurder heeft onderhoudskosten.
Daarom moet “een euro is een euro” vooral worden begrepen als een politiek-fiscaal uitgangspunt.
De onderliggende vraag luidt:
kunnen grote verschillen in belastingdruk tussen economisch vergelijkbare inkomsten nog altijd voldoende worden verantwoord?
Dat is een veel interessantere vraag dan de slogan zelf.
5. “Gaat een hogere belasting op vermogen uiteindelijk ook de gewone spaarder treffen?”
Niet noodzakelijk.
Alles hangt af van de concrete uitwerking.
Je kunt werken met:
- vrijstellingen;
- drempelbedragen;
- progressieve tarieven;
- onderscheid tussen kleine vermogens en zeer grote vermogens;
- uitzonderingen voor bepaalde pensioen- of spaarproducten.
Maar precies daarom is het belangrijk om niet alleen te zeggen:
“de sterkste schouders moeten meer dragen.”
We moeten ook vragen:
vanaf wanneer beschouwen we iemand als een sterke schouder?
Een gezin met een afbetaalde woning en wat spaargeld is iets anders dan iemand met tientallen miljoenen euro’s aan financiële activa.
Goede wetgeving moet dat verschil kunnen zien.
Wie verder wil nadenken over de verdeling van rijkdom, vermogen en economische ongelijkheid kan Thomas Piketty lezen. Zijn werk biedt een veel bredere historische achtergrond bij de vraag waarom vermogen en inkomen niet noodzakelijk op dezelfde manier groeien of verdeeld worden.
Wie blijft er over wanneer het vangnet verdwijnt?
Bedrijfssubsidies, flexi-jobs en sociale bijdragen
6. “Bedrijfssubsidies ondersteunen jobs en innovatie. Waarom willen jullie daarin snijden?”
Hier ontstaat vaak een karikatuur.
Alsof de keuze zou zijn:
alle subsidies behouden
of
alle subsidies afschaffen.
Dat is niet wat het vakbondsvoorstel zegt.
De kern is: evalueer de steun.
Dat lijkt eigenlijk vanzelfsprekend.
Wanneer de overheid honderden miljoenen of miljarden uitgeeft, mogen burgers vragen:
- Wat levert deze maatregel op?
- Hoeveel bijkomende jobs ontstaan werkelijk?
- Zou die investering zonder subsidie ook zijn gebeurd?
- Welk maatschappelijk rendement krijgen we terug?
- Blijft een regeling bestaan omdat ze werkt — of omdat ze eenmaal bestaat?
Sommige subsidies kunnen zeer nuttig zijn.
Andere misschien minder.
De discussie moet dus gaan over additionaliteit en rendement, niet over subsidies als ideologisch symbool.
7. “Maar veel bedrijfssteun bestaat uit loonsubsidies. Worden jobs dan niet duurder wanneer je daarin snijdt?”
Dat is precies waarom je niet met de botte bijl moet werken.
België heeft een uitzonderlijk hoge belastingdruk op arbeid.
Een gedeelte van de loonsubsidies bestaat juist omdat onze loonkostenstructuur zo zwaar belast wordt.
Wanneer je die steun simpelweg schrapt zonder elders iets te veranderen, kunnen de kosten van arbeid stijgen.
Daarom zou bij iedere regeling minstens moeten worden onderzocht:
creëert deze subsidie aantoonbaar extra tewerkstelling?
Of:
financiert de overheid gedeeltelijk een job die ook zonder subsidie zou bestaan?
Dat verschil is cruciaal.
8. “Flexi-jobs helpen werkgevers én werknemers. Waarom zouden die meer moeten bijdragen?”
Omdat flexibiliteit twee kanten heeft.
Voor werknemers kan een flexi-job interessant extra inkomen opleveren.
Voor werkgevers kan het helpen om piekmomenten en personeelstekorten op te vangen.
Maar het vakbondsbezwaar gaat over een andere vraag:
wanneer wordt een uitzonderingsstatuut zo aantrekkelijk dat gewone tewerkstelling wordt verdrongen?
Daarom zou je volgens die redenering niet noodzakelijk flexi-jobs moeten afschaffen.
Je moet wel blijven onderzoeken:
- welke bijdragen worden betaald;
- welke sociale rechten worden opgebouwd;
- of reguliere jobs worden vervangen;
- in welke sectoren het systeem vooral wordt gebruikt.
9. “Als studenten gewone sociale bijdragen betalen, houden ze minder over. Is dat sociaal?”
Dat is een echte afweging.
Een studentenjob is voor veel jongeren geen luxe.
Het inkomen wordt gebruikt voor studies, vervoer, huur, voeding en dagelijkse uitgaven.
Tegelijk kan zeer goedkope studentenarbeid voor werkgevers aantrekkelijker worden dan gewone tewerkstelling.
Dus ook hier bestaat geen magische oplossing.
De relevante vraag is:
hoe laat je studenten werken tegen aantrekkelijke voorwaarden zonder een parallelle arbeidsmarkt te creëren waarin gewone jobs structureel duurder zijn?
10. “Zelfstandigen nemen ondernemersrisico. Waarom zouden hun bijdragen dichter bij die van werknemers moeten liggen?”
Ondernemerschap brengt risico mee.
Dat moet worden erkend.
Een zelfstandige heeft geen werkgever die een deel van de risico’s opvangt.
Maar de discussie verandert wanneer sociale rechten van werknemers en zelfstandigen naar elkaar toegroeien.
Dan ontstaat een legitieme vervolgvraag:
moet ook de financiering gedeeltelijk naar elkaar toegroeien?
Dat betekent niet automatisch identieke bijdragen.
Wel dat je regelmatig moet onderzoeken of verschillen in bijdragen nog overeenstemmen met verschillen in bescherming.
11. “Een managementvennootschap is legaal. Waarom wordt ze dan als probleem voorgesteld?”
Omdat legaal en fiscaal neutraal niet hetzelfde betekenen.
Er bestaan perfect legitieme redenen om via een vennootschap te werken.
Echt ondernemerschap moet niet worden verdacht gemaakt.
De discussie gaat over situaties waarin juridisch verschillende structuren uiteindelijk zeer vergelijkbare arbeid of economische activiteit vertegenwoordigen, maar fiscaal sterk verschillend behandeld worden.
Dan mag je vragen:
is het verschil economisch gerechtvaardigd of hoofdzakelijk fiscaal gemotiveerd?
Een verstandig beleid moet daarbij onderscheid kunnen maken tussen ondernemerschap en zuivere fiscale optimalisatie.
Lonen, concurrentiekracht en pensioenen
12. “Jullie willen meer loonvrijheid. Maar België moet zijn loonkosten toch onder controle houden?”
Zeker.
Een kleine, open economie kan haar internationale concurrentiepositie niet negeren.
Maar lonen zijn niet uitsluitend een kost.
Ze zijn tegelijk:
- inkomen;
- koopkracht;
- belastingbasis;
- bron van sociale bijdragen;
- motor van binnenlandse consumptie.
Het vakbondsargument is daarom dat loonvorming niet uitsluitend vanuit kostbeheersing bekeken moet worden.
Werkgevers en werknemers zouden volgens hen meer ruimte moeten krijgen om productiviteitsgroei en bedrijfseconomische omstandigheden in loonafspraken te vertalen.
13. “Als brutolonen sneller stijgen dan in onze buurlanden, verliezen we dan geen jobs?”
Dat risico bestaat.
Maar loonkosten zijn ook niet de enige factor die bepaalt waar bedrijven investeren.
Productiviteit telt.
Energieprijzen tellen.
Infrastructuur telt.
Beschikbaarheid van geschoolde werknemers telt.
Rechtszekerheid telt.
Innovatie telt.
Fiscaliteit telt.
Daarom is het te eenvoudig om iedere economische discussie terug te brengen tot:
loon omhoog = jobs weg.
Maar het omgekeerde is evenmin verstandig.
Onbeperkte loonstijgingen zonder relatie met productiviteit kunnen eveneens problemen veroorzaken.
De uitdaging ligt in het evenwicht.
14. “Door de vergrijzing moeten de pensioenen hervormd worden. Kunnen de vakbonden werkelijk doen alsof dat probleem niet bestaat?”
Nee.
Vergrijzing is reëel.
Mensen leven langer.
De verhouding tussen actieve werknemers en gepensioneerden verandert.
Zorguitgaven nemen toe.
De echte discussie gaat daarom niet over of vergrijzing bestaat.
De discussie gaat over:
hoe verdelen we de kosten ervan?
Hoeveel vragen we van werknemers?
Hoeveel van werkgevers?
Hoeveel via fiscaliteit?
Hoeveel via langere loopbanen?
En hoe beschermen we tegelijk mensen die zware beroepen, ziekte, zorgverantwoordelijkheden of onderbroken loopbanen hebben gekend?
Wie het pensioendebat alleen vanuit begrotingscijfers bekijkt, mist bovendien de vraag wat er ondertussen met de koopkracht van gepensioneerden gebeurt. In onze analyse over pensioenen en koopkracht in België bekijken we die andere kant van het verhaal.
Werkloosheid, gezondheidszorg en sociale bescherming
15. “Waarom zou een werkloosheidsuitkering onbeperkt moeten blijven duren? Moeten mensen niet sterker worden gestimuleerd om te werken?”
Activering is noodzakelijk wanneer mensen kunnen werken.
Daar bestaat weinig reden tot discussie over.
Maar hier komt een belangrijke nuance.
Een uitkering stopzetten creëert nog geen:
- geschikte vacature;
- kinderopvang;
- mobiliteit;
- aangepaste werkplek;
- opleiding;
- betere gezondheid;
- betaalbare woning.
Dat betekent niet dat uitkeringen zonder voorwaarden moeten bestaan.
Het betekent wel dat inkomenssancties en arbeidsmarktintegratie niet hetzelfde zijn.
Een orthopedagogische blik stelt hier daarom een andere vraag:
wat heeft iemand concreet nodig om duurzaam opnieuw te kunnen deelnemen?
Soms is dat druk.
Soms opleiding.
Soms begeleiding.
Soms schuldhulp.
Soms kinderopvang.
Soms een werkgever die bereid is aanpassingen te doen.
En soms is het eerlijke antwoord dat iemand op dat moment niet volledig inzetbaar is.
Daarom loont het om ook onze uitgebreide kritische doorlichting van de beperking van werkloosheidsuitkeringen tot twee jaar te lezen, waarin we niet alleen de budgettaire logica maar ook de effecten op mensen en lokale hulpverlening bekijken.
Wie het debat over uitkeringen, werk, bestaanszekerheid en maatschappelijke alternatieven vanuit een radicaal andere hoek wil bekijken, kan Gratis geld voor iedereen van Rutger Bregman lezen.
En wie de Belgische context breder historisch wil bekijken:
De geschiedenis van België: begrijpen waar we vandaan komen om te bouwen aan morgen
16. “De gezondheidszorg wordt steeds duurder. Moeten we daar dan nooit efficiënter werken?”
Natuurlijk wel.
Efficiëntie is niet het tegenovergestelde van sociale bescherming.
Integendeel.
Iedere euro die verspild wordt, kan niet worden gebruikt voor zorg die wél nodig is.
Maar we moeten onderscheid maken tussen:
efficiëntie
en
zorg ontoegankelijk maken.
Een besparing waarbij een geneesmiddel goedkoper wordt zonder kwaliteitsverlies is iets anders dan een patiënt noodzakelijke zorg ontzeggen.
Hetzelfde geldt voor administratie, aankoopbeleid, preventie en dure behandelingen.
De relevante vraag is dus:
waar kunnen we efficiënter worden zonder gezondheidsverschillen groter te maken?
Wie armoedebeleid wil begrijpen vanuit de leefwereld van mensen die ermee geconfronteerd worden, vindt in Armoede uitgelegd aan mensen met geld van Tim ’S Jongers een bijzonder relevante aanvulling.
Europese begrotingsregels, defensie en fraudebestrijding
17. “België moet de Europese begrotingsregels respecteren. Kunnen jullie voorstellen die regels zomaar vervangen?”
Nee.
Een alternatief begrotingsvoorstel verandert Europese verplichtingen niet.
Maar begrotingsregels bepalen niet automatisch welke maatregel een regering moet nemen.
Ze zeggen niet letterlijk:
bespaar op deze uitkering.
Verhoog die belasting.
Verlaag dat pensioen.
Schrap die subsidie.
Daarover blijft politiek bestaan.
Dus zelfs wanneer het bedrag van de noodzakelijke begrotingsinspanning vastligt, blijft de verdeling ervan een politieke keuze.
18. “Door defensie en geopolitieke onzekerheid zijn extra miljarden nodig. Waar moeten die middelen dan vandaan komen?”
Dat is precies waarom de begrotingsdiscussie de komende jaren waarschijnlijk nog moeilijker wordt.
Defensie.
Vergrijzing.
Gezondheidszorg.
Klimaatinvesteringen.
Infrastructuur.
Onderwijs.
Schuldafbouw.
Er staan verschillende grote uitgaven tegelijk voor de deur.
Daarom wordt de vraag wie betaalt? nog relevanter.
Het vakbondsantwoord is dat nieuwe uitgaven niet automatisch hoofdzakelijk via werknemers, uitkeringen of openbare diensten gefinancierd hoeven te worden.
Critici zullen daar tegenover zetten dat ook extra belastingen economische gevolgen hebben.
Beide vragen moeten tegelijk op tafel blijven.
19. “Jullie rekenen op fraudebestrijding. Maar regeringen beloven dat al tientallen jaren.”
Exact.
“Fraude aanpakken” klinkt fantastisch in een begroting.
Iedereen is ervoor.
Het probleem begint wanneer een theoretisch fraudebedrag als gegarandeerde inkomstenbron wordt opgenomen.
Fraudebestrijding vraagt:
- inspecteurs;
- data;
- juridische procedures;
- internationale samenwerking;
- controles;
- expertise;
- tijd.
Daarom mag fraudebestrijding nooit een magische sluitpost worden.
Maar dat betekent evenmin dat we fraudebestrijding moeten opgeven.
De correcte vraag is:
welke bijkomende netto-opbrengst kan realistisch worden gehaald met welke investering in handhaving?
20. “Is zo’n vakbondsplan niet gemakkelijker omdat de vakbonden zelf geen begrotingswet hoeven te schrijven?”
Ja.
Dat is een terechte beperking.
Een politiek of maatschappelijk voorstel hoeft nog niet ieder uitvoeringsdetail te bevatten.
Maar precies daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen:
richting geven
en
wetgeving uitvoeren.
Een volledige hervorming heeft tarieven nodig.
Definities.
Overgangsregelingen.
Antimisbruikbepalingen.
Administratieve procedures.
Effectenramingen.
Europese toetsing.
IT-systemen.
Een voorstel kan dus waardevol zijn zonder al een volledige begrotingswet te zijn.
Maar hoe dichter je bij uitvoering komt, hoe belangrijker die details worden.
Bevoegdheden, innovatie, vastgoed en de sterkste schouders
21. “Kunnen alle voorstellen eigenlijk wel federaal worden uitgevoerd?”
Niet noodzakelijk.
België is institutioneel complex.
Federale overheid.
Gewesten.
Gemeenschappen.
Lokale besturen.
Europa.
Sommige fiscale en economische maatregelen raken verschillende niveaus tegelijk.
Dat maakt een voorstel niet automatisch onmogelijk.
Het betekent wel dat de praktische uitvoerbaarheid mee beoordeeld moet worden.
22. “Als je fiscale voordelen voor innovatie vermindert, riskeer je dan onderzoek en investeringen weg te jagen?”
Ja, wanneer je slecht ontworpen steun afschaft die daadwerkelijk extra innovatie veroorzaakt.
Daarom is het begrip additionaliteit zo belangrijk.
Stel dat een onderneming honderd miljoen euro investeert en daarvoor tien miljoen steun ontvangt.
De belangrijkste vraag is niet:
“Heeft dat bedrijf steun gekregen?”
De vraag is:
“Zou die investering zonder die tien miljoen ook zijn gebeurd?”
Als het antwoord ja is, subsidieert de overheid mogelijk gedrag dat toch zou plaatsvinden.
Als het antwoord nee is en de investering creëert aantoonbare maatschappelijke waarde, ligt de redenering anders.
23. “Als huurinkomsten zwaarder worden belast, rekent een verhuurder dat dan niet gewoon door aan de huurder?”
Dat kan.
Maar niet automatisch één-op-één.
Doorrekening hangt onder meer af van:
- woningtekort;
- huurregulering;
- koopkracht;
- concurrentie;
- rente;
- lokale vraag en aanbod.
Daarom mag een hervorming van vastgoedfiscaliteit nooit uitsluitend vanuit belastingopbrengsten worden bekeken.
Je moet ook onderzoeken wat ze doet met:
huurprijzen, renovaties, nieuwbouw en woningaanbod.
24. “De regering vraagt toch ook bijdragen van mensen met meer vermogen. Waarom voorstellen alsof alleen werknemers betalen?”
Dat is een noodzakelijke correctie.
Het politieke verschil mag niet worden voorgesteld alsof één zijde uitsluitend werknemers belast en de andere uitsluitend vermogen.
Begrotingen bestaan uit pakketten.
Daarin kunnen zowel uitgavenmaatregelen als inkomstenmaatregelen zitten.
Het meningsverschil gaat veeleer over verhouding, omvang en prioriteiten.
De vakbonden willen relatief meer nadruk op vermogen, fiscale uitzonderingen, subsidies en alternatieve inkomsten.
De regering legt relatief meer nadruk op structurele hervormingen, activering en uitgavenbeheersing.
Dat onderscheid is veel preciezer dan slogans.
En precies daarom gaat sociale rechtvaardigheid over meer dan alleen inkomen: ook toegang tot werk, wonen, onderwijs, gezondheid, mobiliteit en maatschappelijke deelname bepaalt hoeveel echte kansen iemand heeft.
25. “Willen de vakbonden uiteindelijk gewoon niet besparen?”
Volgens hun eigen voorstel: nee.
En dit is misschien wel de belangrijkste vraag van de hele blog.
De tegenstelling “besparen versus niet besparen” is te eenvoudig.
Ook het vakbondsvoorstel bevat keuzes waarbij overheidsuitgaven kunnen worden verminderd.
Maar de vakbonden willen eerst sterker kijken naar onder meer:
- bepaalde bedrijfssubsidies;
- fiscale uitzonderingen;
- fraudebestrijding;
- fiscale constructies;
- prijzen van bepaalde geneesmiddelen;
- andere inkomsten uit kapitaal en vermogen.
Hun alternatief is dus niet:
“Laat alles zoals het is.”
Het is:
“Onderzoek eerst andere inkomsten en andere uitgaven voordat sociale bescherming verder wordt ingeperkt.”
Of je elke maatregel daarvan economisch wenselijk vindt, is een tweede vraag.
Maar het onderscheid is belangrijk.
De echte begrotingsvraag is niet alleen hoeveel — maar ook wie betaalt
En daarmee komen we bij het punt dat achter al die miljarden ligt.
Want begrotingen lijken abstract.
4,9%.
21,2 miljard.
52,5%.
700 miljoen.
237 miljoen.
Maar achter iedere procent staat iemand.
Een werknemer die zijn loonbrief opent.
Een zelfstandige die investeert.
Een ondernemer die iemand wil aanwerven.
Een student die een kamer betaalt.
Een gepensioneerde die zijn energiefactuur krijgt.
Een werkzoekende die vijftig sollicitaties heeft verstuurd.
Een verpleegkundige die probeert een afdeling draaiende te houden.
Een gezin dat huur betaalt.
Een kleine spaarder.
Een grote investeerder.
Een belastingbetaler.
Een patiënt.
Daarom mogen we begrotingsbeleid nooit reduceren tot de vraag:
“Hoeveel geld hebben we nodig?”
We moeten vier vragen tegelijk stellen:
Waar besparen we?
Waar zoeken we extra inkomsten?
Wie draagt welk deel van de inspanning?
Welke gevolgen aanvaarden we voor werk, ondernemerschap, sociale bescherming en ongelijkheid?
Dat was ook de kern van de oorspronkelijke 25 vragen: de discussie gaat uiteindelijk niet alleen over cijfers, maar over de verdeling van de maatschappelijke rekening.
Een oefening voor jou als lezer: maak je eigen begrotingskompas
We gaan iets doen wat in politieke discussies verrassend weinig gebeurt.
Niet vragen:
“Voor welke partij ben jij?”
Maar:
“Welke principes vind jij belangrijk?”
Neem even pen en papier.
Rangschik deze zes doelstellingen van 1 tot 6:
- begrotingstekort verminderen;
- belasting op arbeid verlagen;
- sociale bescherming behouden;
- ondernemerschap en investeringen stimuleren;
- vermogens sterker laten bijdragen;
- openbare diensten beschermen.
Nu wordt het interessant.
Want waarschijnlijk wil je meerdere dingen tegelijk.
Dat willen beleidsmakers ook.
Maar geld is beperkt.
Dus stel jezelf daarna drie vragen.
1. Wat mag absoluut niet kapotbespaard worden?
2. Waar zou jij eerst extra inkomsten zoeken?
3. Welke maatregel zou jij alleen aanvaarden wanneer bewezen wordt dat ze werkt?
Daar begint politiek denken.
Niet bij een slogan.
Maar bij keuzes.
Wie de discussie over rijkdom wil verbreden naar macht en democratische invloed kan verder naar:
Wanneer rijkdom macht wordt: wat de superrijken ons leren over ongelijkheid, status en democratie
Een andere relevante denkoefening komt van filosofe Ingrid Robeyns, die met haar werk over limitarisme onderzoekt of er niet alleen een ondergrens, maar ook een moreel en maatschappelijk debat over extreme rijkdom nodig is.
Conclusie: een begroting vertelt welk risico we samen dragen
Het is verleidelijk om dit debat te reduceren tot twee kampen.
De regering wil besparen.
De vakbonden willen belasten.
Maar zo eenvoudig is het niet.
Een overheid kan besparen én belastingen veranderen.
Ze kan subsidies verminderen én investeren.
Ze kan werknemers activeren én sociale bescherming behouden.
Ze kan ondernemingen ondersteunen én vragen dat steun aantoonbare resultaten oplevert.
De moeilijke vraag is dus niet:
“Moeten we iets doen?”
België moet zijn overheidsfinanciën aanpakken.
De moeilijke vragen zijn:
Wat doen we?
Wie draagt hoeveel?
Welke maatregel werkt werkelijk?
Welke schade vinden we onaanvaardbaar?
En welke samenleving willen we over vijf, tien of twintig jaar nog kunnen financieren?
Daarom verdient ook de alternatieve begroting van de vakbonden geen automatische instemming.
Maar evenmin een automatische afwijzing.
Ze verdient hetzelfde wat ieder ernstig begrotingsvoorstel verdient:
kritische vragen.
Transparante cijfers.
Onafhankelijke doorrekening.
Aandacht voor gedragseffecten.
En vooral:
de moed om niet alleen naar miljarden te kijken, maar ook naar mensen.
Want uiteindelijk vertelt een begroting niet alleen hoeveel geld een overheid heeft.
Ze vertelt ook welke risico’s we individueel moeten dragen en welke risico’s we samen willen blijven dragen.
En misschien is dat wel de belangrijkste begrotingsvraag van allemaal.
Welke samenleving willen wij samen financieren?
Wij vallen. Wij staan op. Wij groeien.
FAQ
Wat is de alternatieve begroting van de vakbonden?
Het gaat om voorstellen waarbij de begrotingsinspanning niet uitsluitend via besparingen op sociale uitgaven wordt gezocht, maar ook via inkomstenmaatregelen, fiscale hervormingen, fraudebestrijding en een evaluatie van bepaalde subsidies en fiscale voordelen.
Willen de vakbonden arbeid zwaarder belasten?
Volgens de tekst juist niet. Het uitgangspunt is dat arbeid al zwaar wordt belast en dat een groter deel van de inkomsten elders in het fiscale systeem gezocht zou kunnen worden.
Willen de vakbonden alle bedrijfssubsidies afschaffen?
Nee. De tekst pleit voor een evaluatie van subsidies en voor het verminderen of stopzetten van steun waarvan het economische rendement onvoldoende kan worden aangetoond.
Zijn de vakbonden tegen pensioenhervormingen?
De tekst ontkent dat. De discussie wordt er omschreven als een debat over de manier waarop de kosten van vergrijzing en hervormingen worden verdeeld.
Willen de vakbonden helemaal niet besparen?
Volgens hun antwoord wel. Ze stellen dat sommige subsidies, fiscale voordelen en andere uitgaven kritisch kunnen worden onderzocht. Het verschil met de regering ligt volgens de tekst vooral bij de keuze van de maatregelen en de verdeling van de begrotingsinspanning.
De discussie over de alternatieve begroting van de vakbonden gaat uiteindelijk niet alleen over hoeveel België moet besparen, maar vooral over waar de overheid inkomsten zoekt, welke uitgaven ze vermindert en hoe ze de inspanning over burgers, werknemers, ondernemingen en vermogens verdeelt.
De echte begrotingsvraag: niet alleen hoeveel, maar ook wie betaalt
Waar besparen we? Waar halen we extra inkomsten? Wie draagt welk deel van de inspanning? En welke gevolgen aanvaarden we daarbij voor werk, ondernemerschap, sociale bescherming en ongelijkheid?
Alles op onze blog is voor Zelfzorg en solidariteit, vaardigheids- en reflectiepraktijk, groei en bewustwording met psycho-educatieve informatie over individu en samenleving.
Op geen enkele manier is dit een aanzet tot haat of geweld, discriminatie of racisme.
Zie je een fout of heb je een vraag?
We doen ons best om de informatie op narcisme.blog zo zorgvuldig, correct en actueel mogelijk te houden. Toch kan er altijd ergens een fout, onduidelijkheid of verouderde informatie staan.
Merk je een onjuistheid op, heb je een inhoudelijke vraag of denk je dat bepaalde informatie moet worden aangepast? Laat het ons dan gerust weten via het daarvoor voorziene contactkanaal.
We bekijken meldingen zo zorgvuldig mogelijk en passen informatie aan wanneer daar een gegronde reden voor is. Ook verzoeken om bepaalde inhoud te corrigeren, aan te vullen of te verwijderen worden ernstig genomen en individueel beoordeeld.
Om je vraag efficiënt te kunnen behandelen, vragen we om dezelfde melding niet via verschillende kanalen tegelijk te versturen. Eén duidelijke boodschap met de link naar de betreffende pagina en een korte toelichting helpt ons het snelst verder.
Betrouwbare informatie, transparantie en respect voor onze lezers staan voor narcisme.blog centraal. Daarom waarderen we het wanneer je ons attent maakt op mogelijke fouten of verbeterpunten.
✨ Jouw volgende stap naar heling begint hier!
Voel je dat dit artikel je raakte? Dat het iets in beweging zette? Laat dat moment niet verloren gaan. Like, comment en share!
Sluit je aan bij onze online community – een warme, veilige plek waar gelijkgestemden elkaar begrijpen en ondersteunen.
👉 Doe een groeitaak die bij dit artikel hoort. Je vindt de groeitaken bovenaan de blog. Kleine stappen, grote transformaties.
Jouw stem kan iemand anders de herkenning geven die ze vandaag nodig heeft.
👉 Deel dit artikel met een vriend(in) die worstelt of twijfelt. Soms is één doorstuuractie het verschil tussen vastzitten en vooruitkomen.
Liefs Annemie en Johan Persyn-Declercq
