Een paar maanden geleden zat ik in een wachtkamer waar niemand leek te wachten.

Iedereen keek naar een scherm.
Niet naar hetzelfde scherm, maar naar zijn eigen scherm, wat misschien nog eenzamer is.
Een vrouw van middelbare leeftijd scrolde door foto’s van iemand anders’ vakantie. Een man in een veel te dikke winterjas las het nieuws alsof hij hoopte dat de wereld in de afgelopen vijf minuten begrijpelijker was geworden. Een jong meisje keek naar zichzelf via de camera aan de voorkant van haar telefoon, niet uit ijdelheid, leek het, maar uit nieuwsgierigheid. Alsof ze wilde controleren of ze er nog was.
Ik weet niet waarom juist dat beeld bleef hangen.
Misschien omdat het iets blootlegde wat moeilijk onder woorden te brengen is.
Dat veel van ons voortdurend op zoek lijken naar bevestiging van ons eigen bestaan.
Niet alleen online.
Ook in relaties.
In werk.
In prestaties.
In therapie.
Zelfs in spiritualiteit.
We zoeken overal naar een antwoord op dezelfde vraag.
Ben ik veilig?
Ben ik geliefd?
Mag ik hier zijn?
De taal waarin we die zoektocht beschrijven verandert voortdurend.
Vroeger sprak men over de ziel.
Daarna over het onderbewuste.
Nu spreken we over trauma, hechting, patronen, zenuwstelsels en het ego.
Het zijn verschillende kaarten van hetzelfde mysterieuze gebied.
Maar een kaart is geen landschap.
En soms vraag ik me af of we dat vergeten.
Vooral wanneer het over het ego gaat.
Het woord duikt tegenwoordig overal op.
Alsof het een kwaadaardige huisgenoot is die stiekem de thermostaat hoger zet, onze relaties saboteert en ons telkens opnieuw richting ongeluk stuurt.
Het ego wil aandacht.
Het ego wil controle.
Het ego wil gelijk krijgen.
Het ego wil winnen.
Hoe vaker ik zulke zinnen hoor, hoe meer ik me afvraag wie er eigenlijk spreekt.
Want wie is dat precies, dat ego?
Waar woont het?
In welk orgaan?
In welke hersenkwab?
Op welke MRI-scan kunnen we het aanwijzen?
Misschien lijkt dat een flauwe vraag.
Toch is ze belangrijk.
Omdat woorden macht hebben.
Zodra we iets een naam geven, beginnen we te geloven dat het bestaat als een afzonderlijk object.
Alsof angst een ding is.
Alsof verdriet een ding is.
Alsof het zelf een ding is.
Terwijl neurowetenschappers ons al jaren vertellen dat het zelf waarschijnlijk veel minder stabiel is dan we denken.
Niet één stem.
Maar een koor.
Niet één bestuurder.
Maar een voortdurend overleg tussen herinneringen, impulsen, overtuigingen, lichamelijke signalen en verhalen.
Misschien is het ego geen wezen.
Misschien is het een verhaal.
Een verhaal dat ooit nodig was.
Dat is wat mij steeds meer fascineert.
Niet waarom mensen vastlopen.
Maar waarom ze zichzelf zo hard veroordelen wanneer ze vastlopen.
Alsof ieder beschermingsmechanisme een karakterfout is.
Alsof angst een moreel tekort is.
Alsof pijn bewijst dat je iets verkeerd doet.
Terwijl veel van wat wij later ons ego noemen ooit simpelweg intelligent was.
Een kind dat leert zwijgen omdat spreken gevaarlijk voelt.
Een lichaam dat leert opletten omdat het ooit verrast werd door geweld.
Een hart dat leert afstand houden omdat nabijheid pijn deed.
Het probleem is niet dat zulke strategieën ontstaan.
Het probleem is dat ze blijven bestaan nadat het gevaar verdwenen is.
Zoals een rookalarm dat blijft afgaan lang nadat de brand geblust is.
Misschien is dat wat mensen bedoelen wanneer ze spreken over het ego.
Niet een vijand.
Maar een rookalarm.
Een systeem dat probeert te beschermen.
En juist daardoor schade veroorzaakt.
Dat maakt de vraag ingewikkelder.
Want als het ego werkelijk een beschermingsmechanisme is, wat betekent het dan om het los te laten?
Kun je iets loslaten dat ooit je leven heeft gered?
En wat gebeurt er wanneer je dat probeert?
Ik denk aan mensen die narcistisch misbruik hebben meegemaakt.
Niet omdat die term tegenwoordig overal opduikt, maar omdat de ervaring zelf zo herkenbaar is.
De ervaring dat je langzaam het vertrouwen in je eigen waarneming verliest.
Dat je voortdurend twijfelt aan wat je voelt.
Dat je jezelf steeds kleiner maakt om een relatie te laten bestaan.
Wat daar beschadigd raakt is niet alleen zelfvertrouwen.
Het is iets fundamentelers.
Je relatie met de werkelijkheid.
En misschien is dat waarom herstel zo moeilijk is.
Niet omdat je moet leren hoe je iemand anders kunt vergeten.
Maar omdat je opnieuw moet leren geloven dat je eigen ervaring betekenis heeft.
Dat klinkt eenvoudig.
Het is het niet.
Want we leven in een cultuur die voortdurend suggereert dat ons innerlijk leven geoptimaliseerd kan worden.
Er bestaat tegenwoordig een oplossing voor bijna alles.
Een cursus.
Een podcast.
Een ochtendroutine.
Een ademhalingstechniek.
Een supplement.
Een app.
Zelfs verlichting lijkt soms gereduceerd tot een abonnement.
Dat is misschien de ironie van onze tijd.
We verlangen naar authenticiteit.
Maar zoeken haar via systemen die ons vooral efficiënter willen maken.
Zelfs genezing wordt soms gepresenteerd als een productiviteitsproject.
Word de beste versie van jezelf.
Optimaliseer je mindset.
Transformeer je leven.
Alsof het menselijk bestaan een software-update is.
Maar wat als genezing minder lijkt op optimalisatie?
Wat als ze meer lijkt op rouw?
Rouw om wie je dacht te moeten zijn.
Rouw om de verhalen die je ooit beschermden.
Rouw om de versie van jezelf die haar hele leven geprobeerd heeft veilig te blijven.
Misschien begint vrijheid daar.
Niet wanneer angst verdwijnt.
Maar wanneer we ophouden haar te verwarren met waarheid.
Niet wanneer het verhaal stopt.
Maar wanneer we beseffen dat het een verhaal is.
En dat er achter elk verhaal een lichaam zit.
Een lichaam dat ademt.
Een lichaam dat herinnert.
Een lichaam dat soms allang weet wat het hoofd nog probeert te begrijpen.
De aantrekkingskracht van verklaringen
Misschien is dat ook waarom sommige spirituele verklaringen zo aantrekkelijk zijn.
Niet omdat ze noodzakelijk waar zijn.
Maar omdat ze orde brengen in de chaos.
Ze geven pijn een oorzaak.
Een richting.
Een betekenis.
Wanneer iemand zegt dat angst slechts een product van het ego is, ontstaat er plots een overzichtelijke wereld.
Wanneer iemand zegt dat liefde onze ware natuur is, klinkt dat als een thuiskomst.
En misschien zit daar ook iets waardevols in.
Niet omdat het bewezen kan worden.
Maar omdat mensen niet alleen van feiten leven.
Een mens leeft ook van verhalen.
Van symbolen.
Van metaforen die groot genoeg zijn om zijn ervaringen te dragen.
De vraag is alleen wat er gebeurt wanneer een verhaal zichzelf presenteert als de werkelijkheid.
Wanneer een metafoor verandert in een dogma.
Wanneer twijfel wordt vervangen door zekerheid.
Ik denk vaak aan hoe de taal van zelfontwikkeling de afgelopen twintig jaar veranderd is.
Vroeger sprak men over zonde.
Nu spreekt men over blokkades.
Vroeger sprak men over verlossing.
Nu spreekt men over transformatie.
Vroeger was er de biechtstoel.
Nu is er de coachingssessie.
Dat klinkt misschien cynisch.
Ik bedoel het niet cynisch.
Alleen opmerkzaam.
Want ondanks alle verschillen lijkt dezelfde menselijke behoefte zichtbaar.
De behoefte om te geloven dat pijn ergens toe dient.
Dat er een weg doorheen bestaat.
Dat het lijden niet volledig willekeurig is.
Misschien is dat een van de oudste menselijke verlangens.
Niet geluk.
Maar betekenis.
Een mens kan verrassend veel verdragen wanneer hij denkt dat zijn pijn ergens naartoe beweegt.
Maar wanneer pijn betekenisloos wordt, verandert ze in iets anders.
Dan wordt ze een leegte.
Een gat.
Een afgrond die geen verhaal meer accepteert.
Misschien komen we daar het dichtst bij wat sommige mensen een spirituele crisis noemen.
Of een depressie.
Of existentiële angst.
Woorden genoeg.
Altijd woorden genoeg.
En toch blijven er ervaringen bestaan die zich niet volledig laten vertalen.
Het lichaam liegt minder overtuigend dan het hoofd
Wat mij steeds opnieuw opvalt, is dat vrijwel iedere theorie over genezing uiteindelijk terugkeert naar hetzelfde punt.
Het lichaam.
Niet als machine.
Niet als voertuig.
Maar als archief.
Een archief zonder alfabet.
Een bibliotheek waarin herinneringen niet worden opgeslagen als zinnen maar als spierspanning.
Als ademhaling.
Als reflex.
Als vermijding.
Iemand kan rationeel begrijpen dat een relatie voorbij is.
En toch verstijft zijn borstkas wanneer de telefoon gaat.
Iemand kan weten dat hij veilig is.
En toch wakker schrikken alsof het gevaar zich in de kamer bevindt.
Dat is misschien het vreemdste aan trauma.
Het is geen gebrek aan kennis.
Het is kennis die het lichaam niet vertrouwt.
Alsof twee werkelijkheden naast elkaar bestaan.
De werkelijkheid van het hoofd.
En de werkelijkheid van het zenuwstelsel.
De psycholoog Bessel van der Kolk schreef ooit dat het lichaam de score bijhoudt.
Ik heb die zin jarenlang onthouden.
Niet omdat ze volledig waar is.
Maar omdat ze iets raakt.
Iets wat veel mensen intuïtief herkennen.
Dat ervaringen niet verdwijnen omdat we ze begrijpen.
Dat inzicht niet altijd voldoende is.
Dat sommige delen van ons ouder zijn dan taal.
Misschien verklaart dat ook waarom zoveel mensen na narcistisch misbruik, emotionele verwaarlozing of chronische afwijzing blijven worstelen, zelfs wanneer ze precies kunnen uitleggen wat er gebeurd is.
Ze kennen het verhaal.
Maar het verhaal kent hen nog steeds.
Hun lichaam blijft reageren op een wereld die niet meer bestaat.
Zoals soldaten soms jaren na een oorlog nog schrikken van vuurwerk.
Alsof het verleden weigert verleden te worden.
De economie van tekort
Tegelijkertijd vraag ik me af hoeveel van wat wij persoonlijke problemen noemen werkelijk persoonlijk is.
Neem bijvoorbeeld het gevoel niet genoeg te zijn.
Vrijwel iedereen kent het.
De overtuiging dat je slimmer moet worden.
Mooier.
Succesvoller.
Spiritueler.
Gezonder.
Productiever.
Meer ontwikkeld.
Meer geheeld.
Meer jezelf.
Zelfs authenticiteit is een prestatie geworden.
Alsof we voortdurend deelnemen aan een wedstrijd waarvan niemand zich kan herinneren wie haar georganiseerd heeft.
Dat gevoel van tekort wordt vaak beschreven als een innerlijk probleem.
Maar wat als het ook een economisch probleem is?
Wat als hele industrieën afhankelijk zijn van onze onzekerheid?
Reclame leeft van gebrek.
Sociale media leven van vergelijking.
Zelfhulp leeft van verbetering.
De aandachtseconomie leeft van onrust.
Een tevreden mens klikt minder.
Koopt minder.
Zoekt minder.
Misschien is dat een ongemakkelijke gedachte.
Omdat ze suggereert dat sommige van onze diepste onzekerheden niet alleen psychologisch zijn.
Maar ook winstgevend.
Dat betekent niet dat onze pijn verzonnen is.
Integendeel.
Het betekent dat persoonlijke kwetsbaarheid soms samenvalt met maatschappelijke belangen.
En dat maakt de vraag ingewikkelder.
Wanneer ik mezelf tekort vind schieten, van wie is die stem dan eigenlijk?
Van mij?
Van mijn opvoeding?
Van de cultuur?
Van een algoritme?
Van allemaal tegelijk?
Het zelf blijkt steeds minder een eiland.
En steeds meer een kruispunt.
Wat als genezing geen bestemming is?
Misschien is dat uiteindelijk wat mij het meest bezighoudt.
Niet hoe we genezen.
Maar wat we precies bedoelen wanneer we dat woord gebruiken.
Want veel verhalen over genezing lijken een eindpunt te veronderstellen.
Een moment waarop de angst verdwijnt.
De pijn oplost.
De oude patronen stoppen.
Het ware zelf verschijnt.
Maar wat als het leven zich niet zo gedraagt?
Wat als volwassenheid minder lijkt op een overwinning en meer op een voortdurende relatie met onzekerheid?
Misschien is genezing niet het verdwijnen van angst.
Misschien is het leren leven zonder haar voortdurend te gehoorzamen.
Misschien is vrijheid niet de afwezigheid van pijn.
Misschien is het de ontdekking dat pijn niet altijd het laatste woord heeft.
Misschien is liefde niet het tegenovergestelde van angst.
Misschien is liefde juist datgene wat mogelijk wordt wanneer angst aanwezig mag zijn zonder alles te bepalen.
Dat klinkt minder heroïsch.
Maar misschien ook menselijker.
Want niemand wordt volledig vrij.
Niemand wordt volledig geheeld.
Niemand arriveert definitief.
We blijven veranderende wezens.
Verhalenvertellers in een lichaam dat ouder wordt.
Mensen die proberen betekenis te maken van ervaringen die groter zijn dan zijzelf.
En misschien is dat genoeg.
Misschien hoeft het mysterie niet opgelost te worden.
Misschien hoeft het alleen maar gedragen te worden.
Wat overblijft wanneer de antwoorden verdwijnen
Een paar jaar geleden las ik een interview met iemand die een ernstige ziekte had overleefd.
De interviewer vroeg wat hij geleerd had.
Ik verwachtte iets groots.
Een inzicht.
Een levensles.
Een formule die de chaos achteraf begrijpelijk zou maken.
Maar hij zei iets veel eenvoudigers.
Hij zei dat hij vooral had geleerd hoe weinig hij wist.
Die zin bleef hangen.
Misschien omdat ze zo haaks staat op de cultuur waarin we leven.
Een cultuur waarin iedereen geacht wordt een mening te hebben.
Een standpunt.
Een strategie.
Een plan.
Een identiteit.
Terwijl veel van de werkelijk belangrijke ervaringen juist beginnen waar de zekerheid ophoudt.
Liefde bijvoorbeeld.
Rouw.
Geboorte.
Ziekte.
Verlies.
Vergeving.
Niemand begrijpt die volledig.
We bewegen erdoorheen zoals mensen zich door mist bewegen.
Op gevoel.
Met beperkte zichtbaarheid.
Soms denk ik dat het verlangen naar absolute zekerheid een van de meest onderschatte vormen van angst is.
We willen weten wie we zijn.
Wat ons overkomen is.
Waarom we lijden.
Hoe we kunnen genezen.
Wanneer we eindelijk veilig zullen zijn.
En toch lijkt het leven zich hardnekkig te verzetten tegen zulke helderheid.
Steeds wanneer we denken dat we de werkelijkheid hebben gevangen in een theorie, stroomt ze alweer langs de randen naar buiten.
Dat geldt ook voor het ego.
Voor trauma.
Voor liefde.
Voor waarheid.
Voor God.
Voor het zelf.
Misschien zijn het geen objecten die we kunnen bezitten.
Misschien zijn het vragen waarmee we leren leven.
Dat klinkt onbevredigend.
Dat is het soms ook.
Want een vraag biedt geen bescherming.
Een vraag houdt je wakker.
Een vraag laat ruimte voor twijfel.
Maar misschien is juist die ruimte noodzakelijk.
Misschien ontstaat daar iets wat op wijsheid lijkt.
Niet in de overtuiging dat we het begrijpen.
Maar in het vermogen om aanwezig te blijven wanneer we het niet begrijpen.
De moed om niet weg te kijken
Wanneer mensen spreken over heling, hoor ik vaak woorden als kracht, groei en transformatie.
Mooie woorden.
Maar ik vermoed dat genezing vaak begint met iets veel minder spectaculairs.
Aandacht.
De bereidheid om te blijven kijken.
Niet weg te rennen voor wat pijn doet.
Niet onmiddellijk een verklaring te zoeken.
Niet onmiddellijk een schuldige aan te wijzen.
Niet onmiddellijk een oplossing te produceren.
Gewoon aanwezig blijven.
Bij een verdriet.
Bij een herinnering.
Bij een lichaam dat iets probeert te vertellen.
Dat klinkt eenvoudig.
Maar het is misschien een van de moeilijkste dingen die een mens kan doen.
Want aandacht verandert ons.
Werkelijke aandacht maakt consumptie onmogelijk.
Je kunt niet tegelijk werkelijk kijken en wegkijken.
Je kunt niet tegelijk werkelijk luisteren en jezelf beschermen tegen alles wat je hoort.
Misschien is dat waarom liefde zoveel moed vraagt.
Niet omdat liefde altijd mooi is.
Maar omdat liefde aandacht vraagt.
Volledige aandacht.
Voor een ander.
Voor jezelf.
Voor een werkelijkheid die zich niet altijd gedraagt zoals wij willen.
In die zin lijken liefde en waarheid op elkaar.
Beiden vragen dat we onze voorkeuren tijdelijk opzijzetten.
Dat we zien wat er is, in plaats van wat we hopen dat er is.
En misschien is dat precies waarom beide zo moeilijk zijn.
Een mens in een onvoltooide wereld
Soms stel ik me voor dat de grootste vergissing van onze tijd niet is dat we te weinig weten.
Maar dat we vergeten zijn hoe we moeten leven met wat we niet weten.
We zijn omringd door informatie.
Door data.
Door analyses.
Door voorspellingen.
Door modellen.
Door verklaringen.
En toch lijkt de fundamentele onzekerheid van het bestaan nergens heen te gaan.
Misschien kan ze ook nergens heen.
Misschien hoort ze bij het mens-zijn zoals ademhalen bij een lichaam hoort.
Dat betekent niet dat alles relatief is.
Niet dat waarheid niet bestaat.
Niet dat kennis waardeloos is.
Alleen dat de werkelijkheid altijd groter blijft dan onze beschrijvingen ervan.
Zoals een oceaan groter blijft dan iedere kaart.
Zoals een mens groter blijft dan ieder dossier.
Zoals liefde groter blijft dan iedere definitie.
Misschien is dat uiteindelijk wat ons steeds opnieuw uitnodigt tot nederigheid.
Niet de nederigheid van zelfverkleining.
Maar de nederigheid van verwondering.
Het besef dat het leven ons voortdurend overstijgt.
Dat er altijd iets ontsnapt.
Iets dat niet geoptimaliseerd kan worden.
Niet gemeten.
Niet verkocht.
Niet volledig begrepen.
En toch
En toch.
Ondanks alles.
Ondanks de trauma’s die mensen meedragen.
Ondanks de verhalen die hen gevangenhouden.
Ondanks de systemen die tekort produceren.
Ondanks de angst die zich soms voordoet als wijsheid.
Ondanks de pijn die zich soms voordoet als identiteit.
Blijven mensen elkaar vinden.
Blijven ze liefhebben.
Blijven ze opnieuw beginnen.
Dat feit ontroert mij meer dan welke theorie ook.
Niet omdat het bewijst dat alles goed komt.
Dat doet het niet.
Er gaan dingen verloren.
Relaties eindigen.
Lichamen worden ziek.
Mensen sterven.
Sommige wonden verdwijnen nooit volledig.
Maar ergens tussen al die breekbaarheid blijft iets bestaan.
Niet onkwetsbaarheid.
Niet zekerheid.
Misschien eerder een vorm van aandachtige moed.
De bereidheid om opnieuw deel te nemen aan het leven.
Zelfs wanneer het geen garanties biedt.
Misschien is dat wat hoop werkelijk betekent.
Niet geloven dat alles goed zal aflopen.
Maar geloven dat betekenis mogelijk blijft, zelfs wanneer de afloop onbekend is.
Dat liefde waardevol blijft, zelfs wanneer ze eindig is.
Dat waarheid belangrijk blijft, zelfs wanneer ze onvolledig is.
Dat een mens verder kan leven zonder alle antwoorden te bezitten.
Ik denk terug aan het meisje in de wachtkamer dat zichzelf bekeek in het scherm van haar telefoon.
Misschien controleerde ze niet of ze er nog was.
Misschien zocht ze iets anders.
Niet bevestiging.
Maar herkenning.
Zoals we allemaal doen.
We kijken in spiegels.
In geliefden.
In boeken.
In therapieën.
In religies.
In herinneringen.
In de toekomst.
Steeds opnieuw dezelfde beweging.
De hoop ergens een glimp op te vangen van wie we zijn.
Misschien vinden we dat antwoord nooit volledig.
Misschien hoeft dat ook niet.
Misschien is een mens geen probleem dat opgelost moet worden.
Maar een vraag die aandacht verdient.
En misschien ligt precies daar een vorm van vrijheid.
Niet in het verdwijnen van de onzekerheid.
Niet in de overwinning op het ego.
Niet in het bereiken van een definitieve versie van onszelf.
Maar in het vermogen om, midden in een onvoltooide werkelijkheid, aanwezig te blijven.
Aandachtig.
Kwetsbaar.
Levend.
En bereid om verder te kijken.
Alles op onze blog is voor Zelfzorg en solidariteit, vaardigheids- en reflectiepraktijk, groei en bewustwording met psycho-educatieve informatie over individu en samenleving.
Op geen enkele manier is dit een aanzet tot haat of geweld, discriminatie of racisme.
✨ Jouw volgende stap naar heling begint hier
Voel je dat dit artikel je raakte? Dat het iets in beweging zette? Laat dat moment niet verloren gaan. Like, comment en share!
Sluit je aan bij onze online community – een warme, veilige plek waar gelijkgestemden elkaar begrijpen en ondersteunen.
👉 Doe een groeitaak die bij dit artikel hoort. Je vindt de groeitaken bovenaan de blog. Kleine stappen, grote transformaties.
Laat een reactie achter. Jouw stem kan iemand anders de herkenning geven die ze vandaag nodig heeft.
👉 Deel dit artikel met een vriend(in) die worstelt of twijfelt. Soms is één doorstuuractie het verschil tussen vastzitten en vooruitkomen.
🌿 Samen bouwen we aan herstel, kracht en emotionele vrijheid.
Liefs Annemie en Johan Persyn-Declercq
Steun narcisme.blog door aankopen bij bol.