Er zijn ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht gerapporteerd sinds de oprichting van de staat Israël in 1948. Deze schendingen kwamen voor in een reeks conflicten. Deze schendingen zijn ernstig. Ze werden opgemerkt in verschillende conflicten.

Internationale organisaties, mensenrechtenonderzoekers en VN-commissies hebben talrijke vermeende oorlogsmisdaden gedocumenteerd. Deze documentaties variëren van massamoorden op burgers en gedwongen verplaatsingen tot collectieve bestraffing en het opzettelijk vernietigen van civiele infrastructuur.

Hieronder volgt een chronologisch journalistiek overzicht per conflict of gebeurtenis. Het is gebaseerd op betrouwbare bronnen. Er is aandacht voor de feiten en de juridische kwalificatie onder internationaal recht. Ook wordt eventuele erkenning als oorlogsmisdaad en de mate waarin er onderzoek of vervolging heeft plaatsgevonden belicht.

De Nakba (1947–1949)

Wat gebeurde er: Tussen 1947 en 1949, tijdens de oorlog om de oprichting van Israël, werden naar schatting 700.000 Palestijnen uit hun dorpen en steden verdreven of vluchtten zij en.wikipedia.org en.wikipedia.org. Honderden Palestijnse dorpen werden ontvolkt en verwoest. Historisch onderzoek toont aan dat er in deze periode talrijke bloedbaden onder Palestijnse burgers hebben plaatsgevonden en.wikipedia.org.

Bekende voorbeelden zijn het bloedbad van Deir Yassin in april 1948 waarbij circa 110 dorpsbewoners, inclusief vrouwen en kinderen. Die werden vermoord door Joodse militieleden. Er is ook het bloedbad in Lydda (Lod) in juli 1948 met circa 250 doden. en.wikipedia.org.

In totaal vonden volgens verschillende historici tussen de 10 en 70 afzonderlijke bloedbaden plaats, waarbij Yishuv/Israëlische troepen in circa 24 gevallen met in totaal ongeveer 800 Arabische burgers en krijgsgevangenen hebben gedood. en.wikipedia.org.

Naast de moorden zijn gevallen van verkrachting en plundering gedocumenteerd en.wikipedia.org. Deze geweldsgolf – door Palestijnen aangeduid als de Nakba (“catastrofe”) – leidde tot een massale exodus van Palestijnse inwoners en de vernietiging van ruim 500 dorpen binnen het gebied dat onder Israëlisch gezag kwam. versobooks.com.

Juridische status: Tijdens de Nakba vonden moord op burgers, doelbewuste terreurcampagnes en gedwongen verplaatsing van de bevolking plaats en.wikipedia.org versobooks.com.

Dergelijke handelingen zijn in strijd met de destijds geldende wetten van oorlog zoals de Haagse Reglementen van 1907. Volgens hedendaagse maatstaven worden ze beschouwd als oorlogsmisdaden.

Het opzettelijk doden van burgers en het toebrengen van ernstig leed vallen onder de in 1949 geformuleerde Vierde Geneefse Conventie als “grove schendingen” (grave breaches). aljazeera.com.

Veel historici en juristen kwalificeren de grootschalige etnische zuivering van Palestijnen in 1948 dan ook als een oorlogsmisdrijf. Sommigen beschouwen het zelfs als een misdaad tegen de menselijkheid. versobooks.com.

Zo stelt de Israëlische historicus Ilan Pappé dat “vanuit ons huidige perspectief moeten de Israëlische acties op het platteland in 1948 onontkoombaar als oorlogsmisdaad worden gedefinieerd. Ze vallen onder de definitie van misdaad tegen de menselijkheid”versobooks.com.

De verdrijving van de bevolking en het verhinderen van terugkeer van vluchtelingen schenden bovendien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (art. 13, recht op terugkeer) en latere VN-resoluties (zoals AVVN-resolutie 194 over het recht op terugkeer).

Erkenning en vervolging:

In de directe nasleep van 1948 werd geen internationale rechtbank ingesteld voor deze feiten. De Verenigde Naties documenteerden destijds enkele incidenten. Dit gebeurde bijvoorbeeld via mediaberichten en missies. Er was echter geen tribunaal dat de oorlogshandelingen juridisch beoordeelde.

Pas decennia later spraken historici en mensenrechtenorganisaties zich explicieter uit. Hoewel de Nakba internationaal wordt herdacht als een humanitaire tragedie, zijn de beschreven daden nooit officieel vervolgd als oorlogsmisdaden.

Erkenning bleef beperkt tot historische en morele oordelen. Israël zelf weigert de term “etnische zuivering”. Het land stelt dat de Palestijnse vlucht van 1948 grotendeels een gevolg was van oorlogsomstandigheden. Oproepen van Arabische leiders speelden eveneens een rol.

VN-instanties houden de “Nakba” wel levend op de agenda van het Palestinavraagstuk. Juridische aansprakelijkheid voor de gebeurtenissen van 1947–1949 is tot op heden uitgebleven.

Suez-crisis 1956 en het Kafr Qasim-bloedbad

Wat gebeurde er: Tijdens de Suez-crisis van oktober-november 1956 – waarin Israël samen met Frankrijk en Groot-Brittannië Egypte aanviel – kwamen ook Palestijnse burgers onder Israëlisch bestuur om het leven bij grootschalig geweld.

Op 29 oktober 1956, de dag dat de Sinai-oorlog begon, voltrok zich het beruchte bloedbad van Kafr Qasim. In dit Arabische dorp binnen Israël werden 49 Palestijnse burgers (mannen, vrouwen en kinderen) doodgeschoten door Israëlische grenspolitie omdat zij na werktijd onwetend de ingestelde avondklok overtraden en.wikipedia.org en.wikipedia.org.

De slachtoffers – waaronder een zwangere vrouw – keerden nietsvermoedend terug van het veld toen soldaten hen zonder waarschuwing “op zicht” neerschoten. Dit incident schokte later de Israëlische publieke opinie en wordt gezien als een symptoom van het militair bestuur waaronder Israëlische Arabieren destijds leefden.

Daarnaast voerden Israëlische troepen in november 1956 in de door hen bezette Gazastrook zogenaamde “zuiveringsoperaties” uit tegen vijandige strijders, die echter eindigden in massale executies van burgers en krijgsgevangenen.

Zo werden op 3 november 1956 in Khan Yunis in Zuid-Gaza minstens 275 Palestijnse vluchtelingen en lokale mannen doodgeschoten tijdens huis-aan-huis zoekacties en.wikipedia.org en.wikipedia.org. Ook in het nabijgelegen Rafah werden rond die tijd meer dan 100 ongewapende Palestijnen gedood en.wikipedia.org.

De Verenigde Naties (UNRWA) rapporteerden destijds lijsten met honderden namen van gedode inwoners en spraken van “een ernstig incident” in Khan Yunis en Rafah en.wikipedia.org. Verder hebben voormalige Israëlische militairen veel later onthuld dat ook Egyptische krijgsgevangenen tijdens de Suez-veldtocht zijn geëxecuteerd. Zo bekende een IDF-officier (Arye Biro) in 1995 dat hij in 1956 dozens Egyptische gevangenen had gedood in de Sinaï scholar.lib.vt.edu.

Juridische status: De gebeurtenissen in 1956 schonden op flagrante wijze het oorlogsrecht.

Het opzettelijk doden van burgers in bezet gebied zoals in Khan Yunis/Rafah vormt een “ernstige schending” van de Vierde Geneefse Conventie en een oorlogsmisdrijf aljazeera.com. Het bloedbad in Kafr Qasim betrof het doden van eigen burgers in vredestijd, maar gebeurde onder het mom van een militaire operatie; ook hier ging het om welbewuste buitengerechtelijke executies van onschuldige personen, hetgeen in strijd is met fundamentele mensenrechten (recht op leven) en, indien gezien als deel van het conflict, een oorlogsmisdaad zou zijn.

De Israëlische rechterlijke macht oordeelde in 1957 dat de bevelen in Kafr Qasim “kennelijk onwettig” waren. Ze veroordeelden de verantwoordelijke officieren voor hun rol en.wikipedia.org. Deze uitspraak vestigde in Israël het belangrijke juridische principe dat soldaten illegale bevelen moeten weigeren bekend als de “zwarte vlag”-doctrine.

Juridisch kan Kafr Qasim worden gezien als massamoord op burgers, wat ook buiten oorlogstijd een zwaar misdrijf is. Daarnaast is het doden van oorlogsgevangenen, zoals met de Egyptische POW’s, uitdrukkelijk verboden door de Derde Geneefse Conventie (1929/1949); zulke executies gelden als oorlogsmisdaad. Israëlische troepen doodden in 1956 naar verluidt tientallen gevangengenomen Egyptenaren, iets wat hooggeplaatste leiders destijds moeten hebben geweten. scholar.lib.vt.edu scholar.lib.vt.edu.

Erkenning en vervolging: Kafr Qasim is één van de weinige gevallen waarin Israëlische daders juridisch zijn aangepakt. Een militaire rechtbank veroordeelde 11 betrokken politieagenten en officieren tot gevangenisstraffen en.wikipedia.org. Echter, alle straffen werden al snel verlicht of kwijtgescholden; binnen drie jaar waren alle veroordeelden weer vrij en.wikipedia.org.

Uiteindelijk kregen sommigen zelfs promotie binnen het staatsapparaat en.wikipedia.org. In latere jaren boden Israëlische leiders spijtbetuigingen aan. In 2007 verontschuldigde president Shimon Peres zich formeel voor het bloedbad en.wikipedia.org. Maar er is geen verdere gerechtelijke vervolging geweest en Kafr Qasim blijft een open wond.

De VN veroordeelden de Khan Yunis- en Rafah-gebeurtenissen destijds mondeling als ernstige schendingen. Er volgde echter geen strafrechtelijk onderzoek op internationaal niveau.

Egypte heeft in de jaren ‘90 nog opgeroepen tot onderzoek naar de dood van zijn krijgsgevangenen in 1956. Dit leidde echter niet tot een tribunaal.

Samengevat: de incidenten van 1956 zijn wel gedocumenteerd. Ze zijn moreel veroordeeld. Juridische berechting vond (op de beperkte Israëlische zaak Kafr Qasim na) niet of nauwelijks plaats.

Zesdaagse Oorlog (1967) en nasleep

Wat gebeurde er: In juni 1967 vochten Israël en de buurlanden Egypte, Syrië en Jordanië de Zesdaagse Oorlog. Dit resulteerde in een snelle Israëlische overwinning. Het markeerde het begin van de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem, Gaza en de Golanhoogten.

Tijdens en direct na deze oorlog vonden diverse gebeurtenissen plaats die later als mogelijke oorlogsmisdaden zijn aangemerkt. Ten eerste was er een massale verdrijving van Palestijnen uit de nieuw bezette gebieden: circa 430.000 Palestijnen (waaronder veel vluchtelingen die al in 1948 ontheemd waren) raakten binnen enkele weken opnieuw ontheemd alhaq.org.

Zo sloopte het Israëlische leger kort na de gevechten drie dorpen in de Latrun-regio. De dorpen Imwas, Yalo en Bayt Nuba werden volledig verwoest. Het leger dwong de circa 10.000 inwoners om te vertrekken alhaq.org.

Deze dorpen werden van de kaart geveegd zonder militair dringende reden. Dit kwam neer op een bewuste gedwongen verplaatsing van de burgerbevolking. In Oost-Jeruzalem werd in juni 1967 de Palestijnse Morenwijk (Maghrebi-wijk) nabij de Westelijke Muur vernietigd. Honderden bewoners werden in allerijl verdreven om ruimte te maken voor een plein.

Daarnaast zijn er sterke aanwijzingen dat Israëlische troepen Egyptische krijgsgevangenen hebben gedood tijdens de oorlog in de Sinaï. In de jaren ‘90 onthulden Israëlische historici en oud-soldaten dat honderden tot mogelijk duizend gevangen genomen Egyptische militairen in juni 1967 standrechtelijk zijn geëxecuteerd door Israëlische eenheden. scholar.lib.vt.edu.

Een Israëlisch militair historicus, Aryeh Yitzhaki, verklaarde dat hij bewijs verzamelde van meerdere massa-executies van Egyptische POW’s door IDF-soldaten in de Sinaï, met naar schatting in totaal circa 1.000 doden onder gevangenen scholar.lib.vt.edu.

Deze onthullingen veroorzaakten in 1995 opschudding. Er ontstond diplomatieke spanning met Egypte. Er waren meldingen dat ook Syrische burgers en dorpsbewoners op de Golanhoogten gedwongen werden te vertrekken bij de verovering. Er waren ook gevallen van plundering en vernieling van eigendommen in de bezette gebieden.

Juridische status: De onvrijwillige verdrijving van burgers uit bezet gebied en de vernietiging van dorpen zonder militaire noodzaak zijn verboden onder de Vierde Geneefse Conventie (art. 49 en 53).

Het op grote schaal verjagen van Palestijnse bevolkingsgroepen in 1967 was daarom een schending van internationaal humanitair recht. Artikel 49(1) van de 4e Conventie stelt duidelijk dat een bezettende mogendheid geen gedwongen verplaatsingen van de lokale bevolking mag uitvoeren. Dit staat op amnesty.org.

Dergelijke handelingen gelden als “ernstige schendingen” (grave breaches) en kunnen worden gekwalificeerd als oorlogsmisdaad onder het Statuut van Rome (ICC)amnesty.org.

De opzettelijke vernietiging van civiel eigendom (huizen, dorpen) valt onder de oorlogsmisdrijven wanneer deze niet door militaire noodzaak is gerechtvaardigd. Dit wordt beschouwd als “willekeurige en niet-noodzakelijke verwoesting” amnesty.org.

Het meest schrijnend is echter de executie van krijgsgevangenen: het doden van militairen die zich hebben overgegeven, vormt een flagrante schending van de Derde Geneefse Conventie.

Mocht de bewering kloppen dat Israëlische troepen in 1967 tot wel 1.000 gevangen Egyptenaren hebben omgebracht scholar.lib.vt.edu, dan betreft dit een oorlogsmisdaad van de ernstigste aard (krijgsgevangenen genieten absolute bescherming tegen geweld).

Zelfs de dreiging of mishandeling van krijgsgevangenen is verboden. De gerapporteerde standrechtelijke executies in 1967 zouden dus zonder meer illegaal zijn onder het oorlogsrecht.

Ten slotte kunnen de gedwongen onteigeningen en permanente vestiging van Israëlische kolonisten in de in 1967 bezette gebieden die in latere jaren plaatsvond worden gezien als schending van art. 49(6) van de Vierde Conventie, hoewel dat een breder proces is dat decennialang voortduurde.

Erkenning en vervolging: In tegenstelling tot latere conflicten was er in 1967 geen internationale onderzoekscommissie. Deze commissie riep de Israeli’s niet ter verantwoording voor mogelijke oorlogsmisdaden. Egypte heeft medio jaren ‘90 opgeroepen tot een onderzoek naar de gedode krijgsgevangenen. Dit gebeurde na bekendmaking van veteranengetuigenissen. Israël erkende incidentele “excessen”. Toch hield het land vol dat er geen officieel beleid van executies was.

Er is geen strafrechtelijk tribunaal geweest over deze zaken en betrokken commandanten zijn niet vervolgd. Veel van de gedwongen verplaatsingen (zoals Latrun-dorpen) werden pas decennia later door mensenrechtenorganisaties gedocumenteerd en aangemerkt als illegale daad. Die dorpen werden nooit hersticht; hun terrein werd deels een recreatiepark.

Internationaal zijn de na 1967 ingezette nederzettingenpolitiek en annexaties (Oost-Jeruzalem, Golan) meermaals door de VN-Veiligheidsraad en Algemene Vergadering veroordeeld als illegaal. Er zijn echter ook hier geen juridische consequenties voor individuen.

Samenvattend: alhoewel de feiten van 1967 (massavlucht, mogelijke executies) goed gedocumenteerd zijn, worden ze als schendingen van het oorlogsrecht beschouwd. Geen internationale rechtbank heeft deze kwesties behandeld.

Pas in 2021 kreeg het Internationaal Strafhof (ICC) jurisdictie over de situatie in Palestina. Deze jurisdictie geldt met terugwerkende kracht tot medio 2014. Daardoor vallen eventuele misdaden uit 1967 buiten het bereik van lopende onderzoeken.

Jom Kipoeroorlog (1973)

Wat gebeurde er: In oktober 1973 vond de Jom Kipoer-oorlog plaats. Egypte en Syrië voerden verrassingsaanvallen uit op door Israël bezet gebied (Sinaï en Golan). De oorlog duurde slechts enkele weken, maar was zeer bloedig. Hoewel dit conflict vooral tussen reguliere legers werd uitgevochten, waren er enkele incidenten. Deze hadden betrekking op de behandeling van krijgsgevangenen en burgers.

Zowel aan Arabische zijde als aan Israëlische zijde zijn er aantijgingen geweest van mishandeling of executie van gevangengenomen soldaten. Zo zijn er Israëlische verslagen dat Syrische troepen een aantal Israëlische krijgsgevangenen hebben gedood of gemarteld, en omgekeerd beschuldigden Arabische landen Israël ervan Egyptische en Syrische soldaten die zich hadden overgegeven te hebben geëxecuteerd.

Enkele bekende gevallen zijn het lot van Israëlische gevangenen in Syrië (waarvan er tijdens en na de oorlog sommigen zouden zijn vermoord) en berichten dat IDF-soldaten op de Golan Syriërs die zich wilden overgeven hebben neergeschoten.

Ook circuleerden verhalen over geweld tegen burgers: zo beschuldigde Egypte Israël van het bombarderen van civiele infrastructuur diep in Syrië en Egypte bijv. van het gebruik van napalm op dorpjes, terwijl Israëlische bronnen stelden dat Egyptische troepen Israëlische boerengemeenschappen op de Sinaï met opzet aanvielen.

Juridische status: Indien bewezen zouden deze incidenten neerkomen op schendingen van de Geneefse Conventies.

Het doden van krijgsgevangenen of gewonde soldaten is een directe oorlogsmisdaad onder de Derde Geneefse Conventie. Evenzo zijn het folteren of wreed behandelen van gevangenen ernstige schendingen. Hoewel beide kanten elkaar van dergelijke daden beschuldigden, is het moeilijk om harde bewijzen te isoleren. De beschieting van civiele doelen (zoals niet-militaire infrastructuur) zonder militaire noodzaak zou een schending van het onderscheidingsbeginsel zijn.

Een voorbeeld: Egypte beschuldigde Israël destijds van het bombarderen van een civiele fabriek en een school in de Nijldelta, wat als disproportioneel en dus als mogelijke oorlogsmisdaad werd bestempeld. Tegelijk haalden Israëlische diplomaten aan dat Syrië en Egypte de derde Geneefse Conventie schonden door Israëlische krijgsgevangenen niet goed te behandelen. Uiteindelijk staat vast dat het opzettelijk doden van gevangenen of burgers – door welke partij ook – een ernstige schending van het oorlogsrecht is.

Erkenning en vervolging: Voor de Jom Kipoer-oorlog is nooit een internationale onderzoekscommissie ingesteld die specifiek mogelijke Israëlische oorlogsmisdaden onderzocht. De focus lag destijds vooral op diplomatie om een wapenstilstand te bereiken.

Zowel Israël als Egypte voerden na de oorlog interne onderzoeken uit naar het functioneren van hun legers. De Israëlische Agranat-commissie was een voorbeeld. Zij richtten zich echter op de strategische fouten vooraf, niet op oorlogsmisdaden.

Geen van beide partijen heeft eigen militairen strafrechtelijk vervolgd voor de behandeling van krijgsgevangenen. De beschuldigingen werden eerder afgehandeld in de politieke en propagandistische sfeer dan in een rechtszaal.

Zo rapporteerde het Rode Kruis over de uitwisseling van krijgsgevangenen en eventuele misstanden, maar concrete vervolging bleef uit. Internationaal werd de oorlog van 1973 afgesloten met resoluties. VN-Veiligheidsraad resolutie 338 riep op tot staakt-het-vuren en onderhandelingen.

Juridische stappen tegen individuen kwamen niet ter sprake. In de decennia nadien zijn sommige historici en journalisten wel op specifieke incidenten teruggekomen (bijv. Syriërs die beweerden dat hun gevangengenomen soldaten zijn omgebracht), maar zonder nieuw bewijs of rechtsgang.

Daarmee geldt de Jom Kipoer-oorlog als een conflict waar oorlogsmisdaden mogelijk zijn begaan door alle strijdende partijen. Er heeft echter geen formele erkenning of berechting van Israëlische (of Egyptische/Syrische) betrokkenen plaatsgevonden in juridische zin.

Eerste Libanonoorlog 1982 (Libanon-invasie)

Wat gebeurde er: In juni 1982 viel Israël Libanon binnen, officieel om PLO-strijders uit Zuid-Libanon te verdrijven na grensincidenten. Deze Libanonoorlog van 1982 escaleerde tot een beleg van de hoofdstad Beiroet. Tijdens de bezetting van West-Beiroet door Israël en bondgenootschappelijke milities vonden diverse gruweldaden plaats tegen Palestijnse en Libanese burgers.

Het beruchtst is het bloedbad in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila van 16–18 september 1982. Libanese christelijke milities (Falangisten), die samenwerkten met Israël, trokken toen – terwijl het gebied onder Israëlisch legerbewind stond – de Palestijnse kampen binnen en vermoordden systematisch honderden weerloze inwoners, onder wie veel vrouwen, kinderen en ouderen.

Israëlische troepen onderhielden de omsingeling en hadden de Falangisten feitelijk toestemming gegeven het kamp uit te kammen op zoek naar vijanden hrw.org. Volgens Israëlische inlichtingencijfers kwamen 700 à 800 mensen om bij deze slachtpartij hrw.org, maar andere schattingen liepen op tot wel 2.000 doden. De scènes waren afschuwelijk: veel slachtoffers werden op brute wijze geëxecuteerd en sommige lichamen verminkt.

Ook buiten Sabra/Shatila kende 1982 bloedige incidenten. Tijdens het beleg van Beiroet kwamen bij Israëlische bombardementen en beschietingen op dichtbevolkte wijken duizenden burgers om. Ziekenhuizen, appartementsgebouwen en zelfs schuilplaatsen werden geraakt.

Zo werd het Felastin-hospitaal gebombardeerd en vielen er zware burgerslachtoffers bij aanvallen op Beiroetse woonblokken. De intensiteit van het vuur (waaronder gebruik van fosfor- en clusterbommen volgens ooggetuigen) maakte dat destijds zelfs de Amerikaanse gezant Philip Habib de bombardementen “buitensporig” noemde. De hele oorlog kostte aan naar schatting 17.000 Libanezen, meest burgers, het leven.

Juridische status: Het Sabra en Shatila-bloedbad wordt algemeen erkend als een oorlogsmisdaad en mogelijk zelfs als misdaad tegen de menselijkheid.

Human Rights Watch stelde ondubbelzinnig dat de slachting van honderden ongewapende burgers in deze kampen een oorlogsmisdrijf en misdaad tegen de menselijkheid vormt hrw.org. Hoewel de directe uitvoerders Libanese milities waren, droeg Israël als bezettende macht verantwoordelijkheid. De Israëlische Kahan-onderzoekscommissie concludeerde in 1983 dat minister van Defensie Ariel Sharon “persoonlijke verantwoordelijkheid” droeg voor het negeren van het risico op een massamoord hrw.org.

Hij had de Falangisten bewust toegang gegeven tot de kampen, “wetende dat er een gevaar bestond dat zij een bloedbad zouden aanrichten”, aldus de commissie. Sharon’s nalatigheid werd als “onmogelijk te rechtvaardigen” betiteld en aangeduid als een ernstig falen hrw.org. Juridisch valt Israëls rol onder mogelijk medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden: het internationaal recht verplicht een bezettende/contolerende macht burgers te beschermen.

Het niet voorkomen (en indirect faciliteren) van de moordpartij in Sabra en Shatila is daarom een schending van de Vierde Geneefse Conventie. De belegering en beschieting van Beiroet zelf riep bij velen de vraag op of Israël disproportioneel en willekeurig geweld inzette.

Het oorlogsrecht met name de principes van onderscheid en proportionaliteit verbiedt het willens en wetens bombarderen van stedelijke gebieden zonder adequate voorzorgsmaatregelen. Het langdurige bombardement van West-Beiroet, inclusief burgerobjecten, wordt door Amnesty International en anderen beschreven als mogelijk oorlogsmisdrijf wegens buitensporig geweld.

Met name het gebruik van witte fosfor granaten (brandwapens) in burgeromgevingen en het afvuren van clusterbommen op woonwijken in Libanon (in latere jaren gedocumenteerd) zijn strijdig met de verplichting burgers te ontzien hrw.org.

Kortom, Israël werd na 1982 verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan indiscriminatief en disproportioneel militair geweld met zware burgerverliezen, hetgeen onder de noemer oorlogsmisdrijven valt.

Erkenning en vervolging: Binnen Israël leidde de Sabra/Shatila-affaire tot politieke gevolgen: minister Sharon trad af als defensieminister op aanbeveling van de Kahan-Commissie. Er kwam echter geen strafrechtelijk onderzoek naar hem of andere Israëlische officieren. Sharon bleef onbestraft en zou later zelfs premier worden.

In 2001 probeerden overlevenden via een Belgische rechtbank (onder het toenmalige universele jurisdictie-beleid) Sharon strafrechtelijk aan te klagen voor zijn rol. Dit leidde tijdelijk tot een gerechtelijk onderzoek in België, maar onder internationale druk werd de wet gewijzigd en het proces afgeblazen in 2003 hrw.org hrw.org.

Internationaal spraken de VN zich krachtig uit: de Algemene Vergadering van de VN veroordeelde in december 1982 het bloedbad in Sabra en Shatila zelfs als “daad van genocide” (resolutie 37/123) – een politiek beladen term, maar tekenend voor de ernst waarmee de wereldgemeenschap het aanzag. Geen tribunaal volgde hieruit. Ten aanzien van de Beiroet-bombardementen was er geen formele juridische vervolging, al overwoog de VN-Veiligheidsraad sancties. De VS legden toen resoluties die Israël censureren wilden, meermaals een veto op.

Israelische militairen of politici zijn nooit vervolgd voor mogelijke oorlogsmisdaden in 1982. Ariel Sharon overleed in 2014 “zonder ooit verantwoording te hebben afgelegd voor zijn rol bij de bloedbaden van Sabra en Shatila”, zoals Human Rights Watch het stelde hrw.org. Al met al werd de de facto erkenning van de misdrijven beperkt tot onderzoeken en resoluties, maar juridische verantwoordelijkheid bleef onbeantwoord.

Sabra en Shatila geldt wel tot op heden als symbool van straffeloosheid: een plek waar een massaslachting van burgers plaatsvond onder het oog van een modern leger, zonder dat iemand ter verantwoording is geroepen.

Een kompas met de tekst 'Waar is de moraal?' en symbolen van de Democratische en Republikeinse partijen op de achtergrond.
info geloof dat je niet hebt maar leeft

Eerste Intifada (1987–1993)

Wat gebeurde er: In december 1987 brak in de bezette Palestijnse gebieden de Eerste Intifada uit – een volksopstand tegen de Israëlische bezetting, gekenmerkt door massale demonstraties, steen gooien door jongeren en burgerlijke ongehoorzaamheid. Israëlische veiligheidstroepen reageerden op deze opstand met harde middelen.

Er werden duizenden Palestijnen gearresteerd en troepen traden vaak met excessief geweld op tegen demonstranten, van wie de meesten ongewapend waren. Eén van de beruchte aspecten was het door de Israëlische legerleiding gevoerde “force, might and beatings” beleid begin 1988.

Toenmalig minister van Defensie **Yitzhak Rabin gaf militairen opdracht om protesten te breken desnoods door het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hij werd geciteerd met de instructie om bij relschoppers “de botten te breken” (“break their bones”) als strafmaatregel latimes.com.

Dit resulteerde in talloze incidenten waarbij soldaten Palestijnse arrestanten en demonstranten met stokken en geweerkolven sloegen, soms zelfs nadat deze al in hechtenis waren. Er bestaan videobeelden en getuigenissen van groepen militairen die jonge Palestijnen bewusteloos slaan en ledematen breken. Daarnaast werden gedurende de Intifada ruim 1.100 Palestijnen gedood (merendeels door politiekogels bij protesten of invallen), onder wie veel kinderen.

Enkele incidenten kregen internationale aandacht, zoals de dood van vier Palestijnse arbeiders in Gaza die de vonk vormde voor de Intifada, en de zaak van gevangene Al-Faramawi wiens armen gebroken werden en die kreupel raakte. Ook meldden mensenrechtenorganisaties wijdverspreid mishandeling in detentie en gebruik van administratieve detentie (gevangenhouding zonder proces).

Hoewel de Intifada een voortdurend politie/leger-optreden betrof en geen conventionele oorlog, vielen de handelingen van de bezettingsmacht onder de regels voor bezet gebied (4e Geneefse Conventie) en de mensenrechtenverdragen.

Juridische status: De onderdrukking van de Intifada bracht Israël op het randje – en vaak erover – van wat internationaal rechtelijk toelaatbaar is bij ordehandhaving. Opzettelijke fysieke mishandeling van gevangenen (zoals het stelselmatig breken van botten) is ten strengste verboden onder de Vierde Geneefse Conventie, die beschermde personen (burgerbevolking in bezet gebied) beschermt tegen marteling en wrede behandeling aljazeera.com.

Artikel 32 van die Conventie verbiedt expliciet alle maatregelen “die lichamelijk lijden toebrengen” aan beschermde personen. Het in koelen bloede toebrengen van blijvend letsel als collectieve straf kan als oorlogsmisdaad worden aangemerkt (het valt onder “willens en wetens groot lijden of ernstig letsel toebrengen”aljazeera.com).

Evenzo vormt collectieve bestraffing van een bevolking (zoals sluitingen, sloop van huizen van familieleden van verdachten, etc.) een schending van art. 33 van de Vierde Conventie. Tijdens de Eerste Intifada werden dit soort strafmaatregelen regelmatig toegepast.

De dodelijke toepassing van vuurwapens tegen ongewapende demonstranten is onder de mensenrechtenwetgeving onrechtmatig en, in een bezettingscontext, mogelijk een grave breach indien sprake was van willekeurig doden. Hoewel Israël formeel stelde dat het om het neerslaan van “rellen” ging (interne ordehandhaving), houdt de internationale gemeenschap vol dat hier IHL (internationaal humanitair recht) in bezet gebied van toepassing blijft.

Onder dat kader kan het doodschieten van een kind dat stenen gooit, of het in elkaar slaan van een weerloze arrestant, niet anders dan als illegaal geweld beschouwd worden.

Erkenning en vervolging: Israëlische mensenrechtenorganisaties als B’Tselem documenteerden al tijdens de Intifada honderden gevallen van buitensporig geweld.

De beroemde uitspraak van Rabin om “kracht, macht en klappen” in te zetten werd in de pers breed uitgemeten latimes.com. Binnen Israël leidde dit tot kritiek van sommige Knesset-leden en juristen, maar weinig soldaten werden vervolgd. In een enkel geval werden lagere militairen bestraft voor extreem mishandeling – zoals kolonel Yehuda Meir, die in 1990 werd aangeklaagd omdat hij opdracht had gegeven tot het expliciet breken van ledematen van gearresteerden latimes.comlatimes.com.

Meir getuigde dat “het slaan van Palestijnen destijds onderdeel was van de geaccepteerde norm” en beriep zich erop dat hij slechts Rabins orders uitvoerde latimes.com. Hij werd uiteindelijk gedegradeerd en ontslagen, maar Rabin zelf bleef ongeschonden en ontkende dat hij botten “letterlijk” wilde breken – hij sprak van een metafoor voor hard optreden.

Internationaal was er geen apart forum om deze onderdrukking te toetsen. De Intifada eindigde in 1993 met de Oslo-akkoorden. Externe rechters bogen zich er niet over.

De VN-Mensenrechtencommissie veroordeelde de Israëlische maatregelen tegen Palestijnse burgers. De Veiligheidsraad, via resolutie 605 (1987), vond deze maatregelen schendingen van de Geneefse Conventie. Toch bleef dit bij verklaringen. Geen VN-tribunaal had jurisdictie; het ICC bestond nog niet.

Samengevat: het harde optreden tijdens de Eerste Intifada wordt vandaag de dag algemeen erkend als ernstige mensenrechtenschending en in individuele gevallen als oorlogsmisdaad (foltering van beschermde personen), maar niemand is juridisch ter verantwoording geroepen in een internationale rechtbank.

De uitspraken van Rabin en de beelden van gebroken ledematen hebben wel blijvend het beeld gevormd van een conflict waar straffeloos geweld tegen een bezette bevolking plaatsvond.

Tweede Intifada (2000–2005) en gebruik van menselijke schilden

Wat gebeurde er: De Tweede Intifada (2000–2005) was een periode van veel zwaardere gewapende confrontaties in de Palestijnse gebieden. Zelfmoordaanslagen door Palestijnse militanten binnen Israël leidden tot harde Israëlische tegenacties. In april 2002 voerde het Israëlische leger Operatie Defensive Shield uit op de Westelijke Jordaanoever.

Steden als Nablus en Jenin werden door tanks en troepen heroverd; in het Jenin-vluchtelingenkamp leverden soldaten dagenlang strijd met gewapende Palestijnen. Uiteindelijk werden in Jenin tientallen Palestijnen gedood, onder wie burgers, en werd een groot deel van het kamp met bulldozers verwoest, waardoor honderden woningen puin werden hrw.org hrw.org.

Palestijnse bronnen spraken van een “bloedbad”, hoewel een VN-werkdocument later het dodental op 52 Palestijnen (waarvan ongeveer de helft burgers) stelde. In Gaza voerden Israëlische troepen herhaaldelijk luchtaanvallen uit op leiders van gewapende groepen; hierbij kwamen ook vaak omstanders om.

Een voorbeeld is de liquidatie van Hamas-commandant Salah Shehade in 2002 met een 1-ton bom op een woonblok, waarbij 15 burgers (voornamelijk kinderen) omkwamen – een actie die internationaal als buitenproportioneel werd veroordeeld.

Eveneens zorgwekkend was de toenmalige Israëlische praktijk om Palestijnse burgers als “menselijk schild” te gebruiken tijdens militaire operaties. Soldaten dwongen geregeld een willekeurige Palestijn om voor hen uit een woning binnen te gaan waar vermoedelijk een gewapende verdachte zat, of om op deuren te kloppen van mogelijk boobytrapped gebouwen theguardian.com theguardian.com.

Deze methode, bedoeld om Israëlische levens te sparen bij gevechten, bracht Palestijnse burgers willens en wetens in levensgevaar. In meer dan één geval leidde dit tot de dood of verwonding van de gebruikte burger – zo werd de 19-jarige Nidal Daraghmeh in 2002 doodgeschoten toen hij onder dwang van soldaten op een huis van een vermoedelijke militant moest aflopen theguardian.com. De IDF zette deze tactiek geruime tijd in tijdens arrestatie-operaties in dorpen en kampen.

Juridische status: Zowel de vernietiging van Jenin en het mogelijk buitensporig doden van burgers daar, als het gebruik van menselijke schilden, zijn in strijd met het oorlogsrecht.

Het beginsel van onderscheid eist dat bij militaire operaties onderscheid wordt gemaakt tussen strijders en burgers. De VN concludeerde achteraf dat de verwoesting in Jenin weliswaar deels door hevig gevecht kwam, maar dat bepaalde daden (zoals het met bulldozers platwalsen van huizen terwijl nog mensen binnen waren) onverantwoord en mogelijk onwettig waren.

Indien disproportioneel geweld is gebruikt dat niet in verhouding stond tot het militaire doel, kan dat een oorlogsmisdrijf vormen.

Het meest duidelijke juridisch is echter de kwestie van menselijke schilden. Het is nadrukkelijk verboden om burgers te dwingen aanwezig te zijn bij of vóór je troepen om zo bescherming af te dwingen volgens de Vierde Geneefse Conventie en aanvullende protocollen.

Artikel 28 van de Vierde Conventie stelt dat de aanwezigheid van een beschermde persoon niet mag worden misbruikt om militaire operaties af te schermen. Ook het gewoonterecht (Rule 97 van het ICRC) verbiedt het gebruik van “human shields”. In de Tweede Intifada werden Palestijnen tot zulke rollen gedwongen – dit schendt het verbod op het inzetten van burgers voor militaire doeleinden theguardian.com en geldt als oorlogsmisdaad.

De Israëlische Hoge Rechtshof erkende dit expliciet: in oktober 2005 verbood het Hooggerechtshof het leger nogmaals om burgers als menselijk schild te gebruiken, daarbij verwijzend naar de Geneefse Conventie en benadrukkend dat zelfs “vrijwilligheid” (die in praktijk weinig voorstelde) dit niet rechtmatig kan maken theguardian.com theguardian.com.

Daarnaast blijven de doelgerichte liquidaties van Palestijnse terrorismeverdachten met zwaar geweld juridisch controversieel: hoewel het bestrijden van gewapende leiders op zichzelf niet verboden is, moet dit volgens de wetten van oorlog met inachtneming van proportionaliteit.

Het bombarderen van een dichtbewoond appartementenblok (zoals bij Shehade) zonder de burgerimpact te minimaliseren, is vrijwel zeker buiten proportie en daarmee onrechtmatig.

Erkenning en vervolging: Het Israëlische Hooggerechtshof heeft, zoals genoemd, de menselijke-schild-praktijk illegaal verklaard in 2005, een belangrijke juridische overwinning voor mensenrechtenorganisaties theguardian.com.

Dat arrest dwong het leger tot het uitvaardigen van een verbod (hoewel er later incidenteel nog incidenten zijn gemeld, was er formeel beleid tegen). Enkele soldaten werden nadien vervolgd als ze tóch een menselijk schild gebruikten: in 2010 bijvoorbeeld werden twee IDF-soldaten veroordeeld wegens het inzetten van een 9-jarig Palestijns jongetje als schild tijdens de Gaza-oorlog van 2008-09 hrw.org.

Wat betreft Jenin 2002: er kwam internationale druk voor een onderzoek en de VN stuurde aanvankelijk een fact-finding team, maar Israël weigerde volledige medewerking, waardoor er enkel een rapport op basis van secundaire bronnen kwam. Dat rapport riep op tot verdere verificatie van mogelijke misdrijven, maar er volgde geen tribunaal.

Israël zelf onderzocht een aantal incidenten intern via de militaire aanklager; in de meeste gevallen werden handelingen gerechtvaardigd geacht of individuele fouten afgedaan met lichte straffen. Kortom, hoewel de praktijk van human shields nu duidelijk als illegaal wordt erkend (ook door Israëlische jurisprudentie) en dus als oorlogsmisdrijf is bestempeld, zijn weinig daders bestraft.

De grootschalige vernietigingen en doden in 2002 (en andere Intifada-gevechten) zijn internationaal veroordeeld, maar ook hier geldt dat geen internationale rechtbank de zaak heeft opgepakt.

Deze periode droeg wel bij aan een groeiende roep om internationale gerechtigheid: het gebrek aan verantwoording voor de gebeurtenissen van de Tweede Intifada vormde mede een aanleiding voor Palestijnse autoriteiten om later het Internationaal Strafhof in te schakelen (wat echter pas misdaden vanaf 2014 bestrijkt).

Tweede Libanonoorlog 2006

Wat gebeurde er: In juli 2006 brak er opnieuw grootschalig conflict uit, ditmaal tussen Israël en de Libanese Hezbollah-militie. Deze Tweede Libanonoorlog duurde zo’n 34 dagen. Hezbollah vuurde duizenden raketten af op steden en dorpen in Noord-Israël, terwijl Israël een grootschalige lucht- en grondcampagne voerde in Libanon.

De oorlog eiste aan Libanese zijde rond de 1.200 doden (overwegend burgers) en aan Israëlische zijde circa 160 doden (meest militairen). Israëlische luchtaanvallen troffen in Libanon veel burgerobjecten: woongebouwen, wegen, elektriciteitscentrales en ook VN-waarnemingsposten kwamen onder vuur.

Twee opvallende incidenten die wereldwijd verontwaardiging opriepen waren de bombardementen op Qana. In het dorp Qana vond op 30 juli 2006 een Israëlische luchtaanval plaats op een gebouw waar zich tientallen burgers schuilhielden; minstens 28 burgers, onder wie 16 kinderen, kwamen daarbij om.

Dit deed denken aan het eerdere Qana-bloedbad in 1996, toen bij een Israëlische artilleriebeschieting op een VN-compound 106 burgerdoden vielen. Naast luchtaanvallen voerde Israël in de laatste dagen van het conflict massaal gebruik van clusterbommen op zuidelijk Libanon op.

In de 72 uur voor de wapenstilstand schoot het IDF miljoenen submunities (kleine bomblets) af over dorpen en velden. Na het staakt-het-vuren bleek dat er honderdduizenden niet-ontplofte clusterbommetjes achtergebleven waren, die nog jaren nadien burgers verwondden of doodden (vooral kinderen die op de explosiefjes trapten). Human Rights Watch en andere groepen stelden dat dit “bombarderen van toekomstige landmijnen” willekeurig en buitensporig was. Ook zijn er gevallen gerapporteerd waarbij Israëlische troepen Hezbollah-verdachten hebben geëxecuteerd of mishandeld na gevangenneming, al zijn deze moeilijk verifieerbaar.

Juridische status: De aanvallen op burgerdoelen en -infrastructuur in Libanon zijn mogelijk in strijd met het oorlogsrechtelijke onderscheidingsbeginsel en het verbod op disproportioneel geweld. Een onafhankelijke missie van Human Rights Watch concludeerde in augustus 2006 dat Israël stelselmatig heeft nagelaten onderscheid te maken tussen militaire en civiele doelen, en dat het patroon van aanvallen op Libanese burgerobjecten wees op oorlogsmisdrijvenhrw.org. In tientallen gedocumenteerde gevallen was er geen duidelijk militair doel aanwezig, of was de vernietiging en het aantal burgerslachtoffers excessief ten opzichte van het beoogde doelwithrw.orghrw.org.

Het gebruik van clusterbommen in civiele gebieden werd scherp veroordeeld: zulke wapens zijn notoir onnauwkeurig en laten nog lange tijd dodelijke resten achter. Hoewel clusterwapens destijds nog niet expliciet verboden waren, geldt het gebruik ervan in dichtbevolkte zones als indiscriminatoire aanval, dus als schending van IHLhrw.org. De VN-coördinator voor noodhulp noemde Israëls clusterbomgebruik “immoreel”.

Daarnaast classificeerde Human Rights Watch de Qana-aanval van 2006 als mogelijk oorlogsmisdrijf, omdat de Israëlische luchtmacht een woongebouw trof zonder adequate verificatie van een militair doel en met een disproportionele tol aan mensenlevens. Ook Hezbollah’s kant pleegt uiteraard oorlogsmisdaden: het op Israël afvuren van ongeleide Katyusha-raketten op steden (Haifa, etc.) was een opzettelijke aanval op burgers en daarmee verboden (HRW noemde die raketbeschietingen eveneens oorlogsmisdaden, om het evenwicht te schetsen). Maar in het kader van dit overzicht ligt de focus op Israëlische daden.

Erkenning en vervolging: Internationaal werd er geen speciaal tribunaal opgezet voor de 2006-oorlog. Wel publiceerden Amnesty International en Human Rights Watch uitgebreide rapporten die beide partijen bekritiseerden. HRW’s rapport “Fatal Strikes: Israel’s Indiscriminate Attacks Against Civilians in Lebanon” (augustus 2006) concludeerde dat sommige Israëlische aanvallen oorlogsmisdaden opleverden hrw.org.

De VN-Mensenrechtenraad veroordeelde Israëls acties in resoluties en stuurde een onderzoekscommissie onder leiding van Desmond de Silva, die Israël echter niet toeliet op zijn grondgebied. Deze commissie rapporteerde in 2007 dat een patroon van opzettelijke vernietiging van civiele infrastructuur door Israël zichtbaar was en dat dit mogelijk deel uitmaakte van een strafexpeditie (collectieve bestraffing). Concrete vervolging volgde niet.

Israël zelf onderzocht enkele incidenten intern; bijvoorbeeld de Qana-aanval werd door het leger onderzocht en men concludeerde dat men Hezbollah-strijders op die locatie vermoedde en het bloedbad een tragische “vergissing” was. Geen Israëlische commandant werd gestraft voor Qana of voor het clusterbomgebruik – al gaf de Israëlische regering later toe dat “achteraf gezien” te veel clusterbommen zijn gebruikt.

In 2008 distantieerde Israël zich halfslachtig van dat beleid, maar juridische aansprakelijkheid werd niet erkend. Wel leidde de publieke kritiek ertoe dat in 2008 een internationaal verdrag tot stand kwam (het Cluster Munitions Convention), hoewel Israël daar geen partij bij is.

Samengevat: de oorlog van 2006 wordt door mensenrechtenwaarnemers gezien als doortrokken van oorlogsrecht-schendingen (door Israël én Hezbollah), maar er is geen gerechtigheid geschied in de vorm van strafrechtelijke vervolging. Dit conflict droeg verder bij aan het narratief dat er een patroon van straffeloosheid bestaat bij vermeende oorlogsmisdrijven in de Israëlisch-Arabische conflicten.

Gaza-oorlog 2008–2009 (Operatie “Cast Lead”)

Wat gebeurde er: Eind 2008 escaleerden de spanningen rond de Gazastrook. Israël lanceerde op 27 december 2008 een grootschalige militaire operatie in Gaza met de naam “Operatie Cast Lead” (Gegoten Lood), officieel om het afvuren van raketten door Hamas en andere groepen te stoppen.

De oorlog duurde drie weken tot 18 januari 2009. Israëlische luchtbombardementen en een grondoffensief veroorzaakten zware schade in het dichtbevolkte Gaza. Ongeveer 1.400 Palestijnen kwamen om het leven, van wie naar schatting twee derde burgers (ruim 900)aljazeera.comaljazeera.com.

Onder hen waren meer dan 300 kinderen. De IDF trof onder meer politiebureaus, overheidsgebouwen, maar ook talloze huizen, appartementen, scholen (waaronder VN-scholen) en ziekenhuizen. Enkele schokkende incidenten: de beschieting van een huis in Zeytoun waar de familie Al-Samouni zich had verzameld (en waarbij 21 familieleden omkwamen), de aanval op een VN-school in Jabaliya die als schuilplaats diende (met ~40 doden) en het gebruik van witte fosfor-munitie boven dichtbevolkte wijken en zelfs boven een VN-hulpmagazijn.

Palestijnse strijdgroepen bleven intussen raketten en mortieren afschieten richting Israëlische dorpen en steden; tijdens het conflict kwamen drie Israëlische burgers en 10 militairen om (waarvan enkele door eigen vuur). De omvang van de vernietiging in Gaza was enorm: duizenden woningen werden verwoest en infrastructuur lamgelegd.

Juridische status: Een onafhankelijke VN-factfinding missie onder leiding van rechter Richard Goldstone onderzocht deze oorlog in opdracht van de VN-Mensenrechtenraad.

In september 2009 concludeerde het Goldstone-rapport dat er veelvuldig ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht waren begaan en dat er sterke aanwijzingen waren voor oorlogsmisdaden door zowel Israël als Palestijnse gewapende groepen aljazeera.com.

Ten aanzien van Israël stelde de missie dat de IDF mogelijk opzettelijk burgers en burgerdoelen had aangevallen. Goldstone verklaarde: “We hebben op basis van feiten geconstateerd dat talrijke ernstige schendingen van humanitair recht en mensenrechtenrecht zijn gepleegd door Israël tijdens de Gaza-operaties”aljazeera.com.

Het rapport noemt specifiek dat Israëlische acties neerkomen op oorlogsmisdaden en mogelijk op misdaden tegen de menselijkheid aljazeera.com. Voorbeelden: “wilful killings” – opzettelijke doding van burgers – en het willens en wetens veroorzaken van groot lijden bij beschermde personen, beide aangeduid als “grave breaches” van de Vierde Geneefse Conventie aljazeera.com.

Ook het gerichte en arbitraire doden van Palestijnse burgers werd vastgesteld als schending van het recht op leven aljazeera.com. Daarnaast hekelde het rapport de systematische vernietiging van infrastructuur (fabrieken, watervoorziening) en het gebruik van Palestijnen als menselijk schild door Israëlische soldaten aljazeera.com. De militaire strategie leek te zijn gebaseerd op een doctrine van disproportioneel geweld om de tegenstander en de bevolking te “straffen”, wat leidde tot enorme schade aan burgerbezit en veel ontheemding aljazeera.com.

Al deze gedragingen – indien ze doelbewust of roekeloos gebeurden – zijn verboden en vallen onder oorlogsmisdaden (zoals collectieve bestraffing, buitensporig gebruik van geweld, en het schenden van onderscheid en proportionaliteit). Ook Hamas en andere groepen werden in het Goldstone-rapport genoemd. Hun raketbeschietingen op willekeurige doelen in Israël waren opzettelijke aanvallen op burgers. Dit zijn dus oorlogsmisdaden. aljazeera.com.

Erkenning en vervolging: Het Goldstone-rapport heeft destijds veel aandacht getrokken. De VN-Mensenrechtenraad en later de Algemene Vergadering namen resoluties aan die Israël en Hamas opriepen geloofwaardige onderzoeken in te stellen, op straffe van mogelijke doorverwijzing naar het Internationaal Strafhof aljazeera.comaljazeera.com. De Veiligheidsraad bleef verdeeld (de VS beschermden Israël tegen maatregelen).

Israël reageerde defensief: het verwierp de conclusies en voerde aan dat het leger zijn best had gedaan burgers te sparen en dat fouten onbedoeld waren. Richard Goldstone zelf schreef in 2011 een opinieartikel waarin hij opmerkte dat nieuwe informatie hem deed geloven dat Israël wellicht niet het beleid had om burgers opzettelijk te targeten (een nuance die breed uitgemeten werd als een gedeeltelijke terugtrekking van zijn rapport). De andere drie leden van de missie bleven echter pal achter de oorspronkelijke bevindingen staan en.wikipedia.org.

Juridisch gezien leidde Cast Lead tot weinig concrete vervolging: Israël opende intern circa 36 onderzoeken; hiervan leidde er maar een handvol tot aanklachten tegen soldaten – meestal voor relatief kleinere vergrijpen (zoals diefstal of een enkel geval van een onrechtmatige schietpartij waarbij een vrouw werd gedood).

Eén soldaat kreeg enkele maanden gevangenisstraf voor het stelen van een creditcard van een Palestijn. Geen enkele hoge officier of beleidsmaker werd bestraft. Hamas aan zijn kant nam evenmin stappen tegen de eigen strijders die raketten op burgers afschoten of politieke rivalen executeerden. In 2015 stelde de VN vast dat beide partijen niet voldeden aan de eis tot eigen onderzoek hrw.org hrw.org.

Inmiddels heeft het Internationaal Strafhof (ICC) jurisdictie over de situatie in Palestina sinds 2014. De gebeurtenissen van 2008-2009 vallen daar net buiten, omdat Palestina destijds nog geen formeel beroep op het Hof kon doen. Niettemin beschouwt men de Gaza-oorlog van 2008/09 nu als een cruciale case die de roep om internationale verantwoording verscherpte.

Het Goldstone-rapport geldt ondanks de controverse als belangrijk precedent. Het was de eerste uitgebreide VN-studie die Israëlische acties expliciet als oorlogsmisdaden benoemde. aljazeera.com. In praktische zin bleef echter ook deze oorlog onbestraft, wat bij Palestijnen het gevoel verankerde dat internationale gerechtigheid uitblijft.

Gaza-oorlog 2014 (Operatie “Protective Edge”)

Wat gebeurde er: In de zomer van 2014 laaide het geweld in en rond Gaza opnieuw op. Na de kidnapping en moord op drie Israëlische jongeren en vervolgens een Palestijnse tiener ontstond een crisis die uitmondde in Operatie Protective Edge – een 50 dagen durende oorlog tussen Israël en Hamas in juli-augustus 2014. Israël bombardeerde intensief vanuit de lucht en voerde een grondinvasie uit in Gaza, terwijl Hamas en andere groepen duizenden raketten en mortieren op Israël afschoten.

De slachtoffercijfers aan Palestijnse kant waren hoger nog dan in 2009: volgens de VN kwamen 2.251 Palestijnen om, waarvan 1.462 burgers (waaronder 551 kinderen en 299 vrouwen)hrw.org hrw.org. Grote stadswijken in Gaza – zoals Shuja’iyya in Gaza-stad en delen van Rafah en Khan Younis – werden grotendeels in puin gelegd.

Israël richtte zich op Hamas-infrastructuur (tunnels, wapenopslag) maar trof ook talloze huizen en zelfs VN-scholen waar mensen een veilig heenkomen zochten. Aan Israëlische zijde stierven 73 mensen (waarvan 67 soldaten en 6 burgers); het Iron Dome-systeem hield veel raketten tegen, maar enkele misten en troffen huizen.

Een aantal voorvallen in 2014 wekten intense internationale afkeuring. Zo werd in juli het Strand van Gaza-stad beschoten waarbij vier spelende Palestijnse kinderen (de Bakr-neefjes) in het volle zicht van perscamera’s omkwamen.

Meerdere VN-scholen in Gaza die als noodopvang dienden werden geraakt door Israëlische artillerie, ondanks dat de VN de coördinaten had doorgegeven – bij drie van zulke incidenten vielen gezamenlijk meer dan 45 doden. Ook wat bekendstaat als “Zwarte Vrijdag” in Rafah (1 augustus 2014) is omstreden: na de verdwijning van een Israëlische soldaat (mogelijk gevangengenomen) voerde het leger een “Hannibal-procedure” uit en vuurde het ongekend zwaar op Rafah, waarbij in één dag 135 Palestijnse doden vielen, grotendeels burgers.

Juridische status: De VN-Mensenrechtenraad stelde een onafhankelijke commissie in. Deze commissie was bedoeld om deze oorlog te onderzoeken. Dit was de McGowan Davis-commissie, nadat voorzitter Schabas aftrad. In juni 2015 presenteerde de commissie haar bevindingen: zij sprak van “geloofwaardige aanwijzingen” dat zowel Israël als Palestijnse gewapende groepen oorlogsmisdaden hebben gepleegd hrw.org france24.com.

De commissie schetste een lange lijst van mogelijke schendingen door Israëlische strijdkrachten hrw.org: aanvallen op woonhuizen zonder militair doelwit, indiscriminatoir gebruik van zwaar geschut (zoals 155mm-artillerie) in dichtbevolkte gebieden, en gevallen van het kennelijk opzettelijk beschieten van burgers (bijvoorbeeld mensen die vluchtten of zwaaiden met witte vlaggen) hrw.org.

Zo’n patroon van handelen, aldus de commissie, kostte honderden burgers het leven. Het kon niet enkel worden afgedaan als “fouten” of “incidenten”. Het duidde erop dat oorlogsmisdaden waren begaan. Het suggereerde ook dat hogere echelons verantwoordelijkheid droegen voor een beleid dat extreem veel burgerleed veroorzaakte hrw.org.

De commissie rapporteerde ook over Hamas’ praktijk van raketlanceringen vanuit bevolkte gebieden. De executies van “collaborateurs” werden ook vermeld. De commissie bevestigde dat ook dit oorlogsmisdaden waren hrw.org.

Een belangrijk punt dat de commissie maakte, was dat commandanten en beleidsmakers moeten worden meegenomen in verantwoording. Het uitblijven van bijsturing door Israëls militaire en politieke leiding is zorgwekkend. Dit is ondanks de hoge burgerslachtoffers. Het roept vragen op over schendingen van IHL door deze functionarissen, wat mogelijk neerkomt op oorlogsmisdadenhrw.org.

Bijvoorbeeld: de voortdurende inzet van explosieve wapens in dichtbevolkte wijken kan hogere officieren aanrekenbaar zijn. Het is duidelijk hoeveel burgers stierven. De verwoesting van civiele infrastructuur (zoals elektriciteitscentrales, waterzuiveringsinstallaties) was enorm. De commissie suggereerde dat dit deel uitmaakte van een strategie. Dit zou ongeoorloofd zijn.

Erkenning en vervolging: De VN-commissie van 2015 riep alle partijen op om daders te vervolgen. Ze riepen vooral Israël op (als de sterkste actor) om zijn onderzoeksmechanismen te verbeteren hrw.org hrw.org. Ze constateerde echter dat zowel Israël als Hamas een historiek van straffeloosheid hebben hrw.orghrw.org.

Inderdaad had Israël tegen 2015 wel tientallen onderzoeken lopen naar mogelijke missers in Gaza. Veel zaken, inclusief de Bakr-kinderen op het strand en de VN-school-beschietingen, werden door de militaire aanklager geseponeerd zonder aanklachten. Men stelde dat geen overtreding kon worden vastgesteld. Ze zeiden ook dat betrokken soldaten handelden volgens de regels. Eén uitzondering: drie soldaten werden aangeklaagd voor het plunderen van een Palestijns huis en het slecht behandelen van een gevangene; straffen waren gering.

Hamas aan zijn kant deed geen publieke moeite om eigen misbruiken te onderzoeken.

De grote verandering sinds vorige conflicten was echter de betrokkenheid van het Internationaal Strafhof.

Palestina had in 2015 het Statuut van Rome ondertekend. Hierdoor kreeg het ICC jurisdictie over eventuele misdaden gepleegd vanaf 13 juni 2014 hrw.org. De Gaza-oorlog van juli-augustus 2014 viel hier dus onder. De ICC-aanklager opende een vooronderzoek naar de situatie. Dit onderzoek mondde later (2021) uit in een formeel onderzoek naar misdaden in de Palestijnse gebieden.

De VN-commissie moedigde in 2015 al aan dat staten en organisaties de ICC-initiatieven moesten ondersteunen. Dit zou helpen om de “accountability gap” te dichten hrw.org hrw.org.

Israël weigerde samen te werken met de VN-commissie. Het weigerde ook samen te werken met de ICC. Israël blijft van mening dat zijn eigen onderzoeken adequaat zijn. Concrete vervolging door het ICC liet nog op zich wachten tot 2023 (zie verderop).

Al met al werd de 2014-oorlog opnieuw een case. Oorlogsmisdrijven expliciet zijn genoemd en aangetoond door een VN-lichaam. De nationale gerechtigheid faalde, dus men moest internationale mechanismen inschakelen. De reputatieschade voor Israël was aanzienlijk: meerdere landen beperkten tijdelijk wapenleveringen. Niettemin bleef in afwachting van het ICC-onderzoek een definitieve juridische afrekening uit, waardoor slachtoffers in Gaza nog geen recht gedaan zagen worden.

info ICC sancties

Gaza-crisis van mei 2021

Wat gebeurde er: In mei 2021 laaide geweld op rondom Gaza na onrust in Jeruzalem. Van 10 tot 21 mei woedde er een kort maar hevig conflict tussen Israël en Hamas (soms “de 11-daagse oorlog” genoemd). Hamas vuurde ruim 4.300 raketten af richting Israëlische steden (Tel Aviv, Ashdod, enz.), terwijl Israël honderden lucht- en artillerie-aanvallen uitvoerde in de dichtbevolkte Gazastrook.

Circa 260 Palestijnen werden gedood, waaronder naar schatting 129 burgers (66 kinderen) hrw.org hrw.org. In Israël vonden 12 mensen de dood door raketinslagen (onder wie 2 kinderen). Meerdere zware Israëlische bombardementen troffen residentiële gebouwen: bijvoorbeeld een aanval op Al-Wahda-straat in Gaza-stad legde op 16 mei drie appartementencomplexen in puin en doodde in één klap 44 burgers (18 kinderen)hrw.org hrw.org.

Tevens werden enkele iconische hoge gebouwen, waarin onder andere buitenlandse media zaten (zoals het Al-Jalaa-torengebouw met AP en Al Jazeera-kantoren), door Israël verwoest omdat Hamas er volgens Israël infrastructuur in had. Het conflict was korter dan voorgaande, maar de intensiteit was vergelijkbaar, met gezinnen die in één nacht werden uitgeroeid (zoals in Al-Shati-kamp waar 8 kinderen en 2 vrouwen stierven bij een luchtaanval) hrw.org hrw.org.

Juridische status: Human Rights Watch onderzocht drie Israëlische luchtaanvallen tijdens dit conflict en concludeerde dat deze ogenschijnlijk oorlogsmisdaden opleverden, omdat er geen militair doelwit zichtbaar was terwijl tientallen burgers omkwamenhrw.org hrw.org.

Onder andere de aanval op Al-Wahda-straat werd als onwettig en disproportioneel bestempeld: Israël stelde achteraf dat er een ondergronds Hamas-commandocentrum was, maar leverde geen bewijs en het gebruik van zulke zware munitie in een woonwijk met zoveel doden zou zelfs mét een doelwit buiten proportie zijn hrw.org hrw.org.

Het op één na hoogste gebouw van Gaza-stad, Al-Jalaa (met perskantoren), werd met een waarschuwingsschot ontruimd en daarna vernietigd; het Pentagon sprak bezorgdheid uit dat persvrijheid en proportionaliteit hier in het geding waren, al vielen geen doden doordat men tijdig evacueerde.

Palestijnse raketaanvallen op Israël werden wederom gekwalificeerd als oorlogsmisdaad, vanwege hun opzettelijk of indiscriminatoir karakter – de raketten zijn ongeleid en gericht op bevolkingscentra, wat indruist tegen het verbod op aanvallen op burgers hrw.org hrw.org.

Hamas’ praktijk om raketten vanuit dichtbevolkte gebieden in Gaza te lanceren werd ook bekritiseerd, omdat het de eigen burgers in gevaar brengt (hoewel dit juridische aspect complex is, aangezien de primaire overtreding bij de lancering zelf ligt). Zowel VN-functionarissen als ngo’s spraken tijdens en na de crisis van mogelijke oorlogsmisdaden door beide zijden.

HRW verklaarde in juli 2021 expliciet: “Israëlische troepen voerden in Gaza aanvallen uit die hele families verwoestten zonder enig duidelijk militair doelwit in de buurt”, en noemde deze daden “kennelijk oorlogsmisdaden”hrw.org.

De VN-Mensenrechtenraad besloot eind mei 2021 tot het instellen van een permanente Commissie van Onderzoek (geleid door Navi Pillay) naar schendingen in Israël en de bezette gebieden, mede naar aanleiding van de 2021-gevechten.

Erkenning en vervolging: Geen specifiek tribunaal behandelde deze korte oorlog, maar het conflict viel wel midden in het lopende ICC-onderzoek dat sinds maart 2021 officieel bezig was. De ICC-aanklager kondigde aan dat ook mogelijke misdaden in de mei 2021 ronde zouden worden meegenomen in zijn Palestina-onderzoek. Human Rights Watch en Amnesty International publiceerden beide rapporten in 2021, waarin zij Israël en Palestijnse groepen beschuldigden van schendingen.

HRW’s rapport getiteld “Gaza: Apparent War Crimes During May Fighting” gaf gedetailleerde analyses van de drie bovengenoemde Israëlische aanvallen en drong erop aan dat de ICC-aanklager deze incidenten onderzoekthrw.orghrw.org. Het rapport onderstreepte Israëls consistent onwil om zelf oorlogsmisdaden serieus te onderzoeken en noemde dat een lange geschiedenis van straffeloosheid dit noodzakelijk maakt hrw.org.

Feitelijk heeft Israël ook na mei 2021 nauwelijks iets gedaan om verantwoordelijken te straffen: de IDF kondigde een paar interne onderzoeken aan naar “operationele onregelmatigheden”, maar tot dusver zijn geen resultaten bekendgemaakt die tot vervolging leidden.

Hamas heeft evenmin iemand ter verantwoording geroepen voor het willekeurig afschieten van raketten of voor interne executies van verdachte collaborateurs tijdens het conflict (er circuleren berichten dat in die 11 dagen Hamas minstens twee mannen heeft geëxecuteerd zonder proces op verdenking van spionage, wat ook als oorlogsmisdaad geldt, maar dat bleef ontransparant).

Internationaal gezien bevestigde deze mini-oorlog de perceptie dat zowel Israël als Palestijnse strijdgroepen zich schuldig blijven maken aan oorlogsmisdrijven, en dat slechts het ICC een neutrale rechter zou kunnen zijn.

De nieuwe permanente VN-Commissie van Onderzoek (Pillay) zal zich in haar doorlopende mandaat ook buigen over mei 2021, maar heeft al geconcludeerd dat de bezettingssituatie en discriminatie de kern vormen van terugkerend geweld.

In juni 2022 meldde deze commissie aanwijzingen dat Israëlische acties in 2021 mogelijk deel uitmaakten van “systematische vervolging”. Maar concrete gerechtigheid voor de slachtoffers van mei 2021 hangt vooral af van het Internationaal Strafhof. Het is vanaf 2021 actief.

Oorlog in Gaza 2023–2024

Wat gebeurde er: Op 7 oktober 2023 lanceerde Hamas en andere groepen vanuit Gaza een grootschalige verrassingsaanval op Israël. Honderden gewapende militanten drongen Israëlische grensgemeenschappen binnen, waarbij ze ruim 1.200 Israëliërs, voornamelijk burgers, doodden en ongeveer 240 mensen (inclusief vrouwen en kinderen) gijzelden.

Deze aanval – met massale schietpartijen op festivalgangers en gezinnen in hun huizen – werd internationaal direct veroordeeld als een gruweldaad en een duidelijke oorlogsmisdaad door Hamas (burgers op zo’n schaal opzettelijk doden schendt elke maatstaf van het oorlogsrecht).

Israël reageerde vrijwel onmiddellijk door de oorlog te verklaren aan Hamas en begon een ongekende militaire campagne tegen de Gazastrook. De Israëlische luchtmacht voerde in de daaropvolgende weken en maanden tienduizenden bombardementen uit op Gaza, waardoor verwoestingen op een niet eerder vertoond niveau ontstonden.

Stadsdelen zoals Beit Hanoun, Shujai’ya, de oude wijk van Gaza-stad en later delen van Khan Younis en Rafah werden in puin gelegd.

Eind 2023 schatte de VN dat in Gaza meer dan 15.000 Palestijnen gedood waren sinds 7 oktober – een cijfer dat in 2024 verder opliep. Onder de doden bevonden zich duizenden kinderen.

Gezondheidszorg en basisvoorzieningen stortten in: Israëls volledige blokkade (water, stroom en brandstof werden afgesloten) en de voortdurende beschietingen veroorzaakten een humanitaire ramp. Verschillende grootschalige incidenten trokken de aandacht: de explosie op het terrein van het Al-Ahli ziekenhuis op 17 oktober (waarbij volgens Gaza’s autoriteiten honderden burgers omkwamen; de oorzaak is omstreden, Israël stelt dat een Palestijnse raket toevallig neerstortte, Palestijnse zijde houdt Israëlische aanval verantwoordelijk), de herhaalde bombardementen op het Jabalia-vluchtelingenkamp begin november (met tientallen doden per keer), en het dagenlange beleg van het Al-Shifa ziekenhuis in Gaza-stad door Israëlische troepen in november (waarbij tientallen in het ziekenhuis stierven door gebrek aan stroom en beschietingen in de omgeving).

Daarnaast dwong Israël half oktober ruim 1 miljoen inwoners van Noord-Gaza om zuidwaarts te evacueren binnen een etmaal – een immense gedwongen verhuizing te midden van oorlog. Eind 2023 verplaatste de strijd zich deels naar het zuiden, met ook daar grote verliezen onder burgers (bijvoorbeeld bombardementen in Khan Younis waar families stierven terwijl ze geacht werden “veilig” te zijn).

Juridische status: Zowel de Hamas-aanval van 7 oktober als de Israëlische tegenaanval staan in juridische termen bol van ernstige oorlogsmisdaden.

De Hamas-daden – massaexecuties van burgers, verkrachtingen (volgens sommige getuigenissen), ontvoering van burgers als gijzelaars – zijn ondubbelzinnig misdaden: het doden of nemen van burgers in gijzeling is streng verboden (Geneefse Conventies, Haagse Regels) en wordt bestempeld als oorlogsmisdaad.

Wat de Israëlische reactie betreft, hebben onafhankelijke waarnemers en VN-experts een waslijst aan mogelijke oorlogsmisdaden geïdentificeerd.

Human Rights Watch en Oxfam brachten in maart 2024 een memorandum uit waarin zij stellen dat Israëlische troepen sinds 7 oktober 2023 indiscriminatoire en buitenproportionele aanvallen hebben uitgevoerd, collectieve bestraffing toepassen op de Gazaanse bevolking, en zelfs honger inzetten als oorlogswapen hrw.org.

Concreet: het opzettelijk bombarderen van dichtbevolkte wijken en vluchtelingenkampen met krachtige explosieven zonder het verschil te maken tussen strijders en burgers, en met extreme aantallen slachtoffers, schendt het principe van onderscheiding en proportionaliteit – oorlogsmisdaad (willens en wetens buitensporig veel burgerdoden veroorzaken vergeleken met het militair voordeel is verboden).

Het afsluiten van water, voedsel, elektriciteit en brandstof naar een belegerde bevolking (de volledige belegering van Gaza) wordt gezien als collectieve bestraffing en druist in tegen art. 33 van de Vierde Conventie. Meer nog, uithongering van burgers als methode is expliciet een oorlogsmisdrijf volgens art. 8 van het ICC-Statuut – en de VN-experts merkten op dat de Israëlische acties in Gaza, inclusief het onthouden van essentiële goederen, neigen naar “uithongering als oorlogswapen”hrw.org.

Het forceren van de evacuatie van meer dan een miljoen mensen in Gaza (zowel Noord- naar Zuid-Gaza als later intern in het zuiden) onder dreiging van geweld, wordt door juristen gekwalificeerd als gedwongen verplaatsing; dat mag alleen tijdelijk als het absoluut om de eigen veiligheid van burgers gaat, maar in dit geval betwisten de VN dat aan de voorwaarden is voldaan. Indien de evacuatie als permanent of zonder veilige terugkeer blijkt, is dit een schending van art. 49 van de Vierde Conventie en een oorlogsmisdaad (de forcible transfer van bevolking)hrw.org.

Verder zijn er talloze incidenten die los op zich oorlogsmisdaden kunnen vormen: aanvallen op ziekenwagens en ziekenhuizen (die zijn beschermd onder IHL, tenzij misbruikt door strijders – Israël claimde dat bijvoorbeeld Al-Shifa een commandocentrum herbergde, maar HRW vond geen rechtvaardiging om de bescherming op te heffen)hrw.org hrw.org; de hoge tol onder kinderen (meer kinderen gedood in 2023 dan jaarlijks waar ook ter wereld in recente herinnering) wijst erop dat onvoldoende onderscheid werd gemaakt.

VN-secretaris-generaal António Guterres waarschuwde dat de hevigheid van Israëls bombardementen op Gaza **“de regels van de oorlog” aan het schenden was. De VN-Mensenrechtenraad constateerde in november 2023 “duidelijk bewijs van oorlogsmisdaden door zowel Hamas als Israël” in deze oorlog en.wikipedia.org.

Sommige staten en organisaties gaan nog verder en spreken van mogelijk genocide: eind 2023 stelden onafhankelijke VN-speciaalgroepen en Amnesty International dat de patronen – massale moord, doelgerichte vernietiging en ontzegging van levensvoorwaarden – doen vrezen dat Israël in Gaza “genocidale daden” pleegt amnesty.org amnesty.org. Genocide is een apart misdrijf (met vereiste opzet om een volk uit te roeien), maar overlapt gedeeltelijk met grootschalige oorlogsmisdaden.

Erkenning en vervolging: De internationale reacties op 2023 zijn ongekend.

De VN-Veiligheidsraad slaagde er door vetogebruik niet in dwingende resoluties aan te nemen, maar de Algemene Vergadering riep op tot een onmiddellijk staakt-het-vuren en respect voor de Conventies (resolutie ES-10/21, oktober 2023). Meerdere VN-experts (zoals de Speciaal Rapporteur voor de Bezette Gebieden) stelden dat wat er in Gaza gebeurt potentieel een “nieuwe Nakba” is en dat de drempel naar genocide-indicatoren mogelijk is overschreden. Op juridisch vlak zijn er twee belangrijke ontwikkelingen: ten eerste het lopende ICC-onderzoek, dat door deze oorlog in een stroomversnelling kwam.

De ICC-aanklager Karim Khan bezocht in oktober en november 2023 zowel Israël als de Rafah-grens met Gaza en gaf aan dat de situatie in Gaza hoogst urgent op zijn radar staat. Op 21 november 2024 gebeurde dan iets historisch: de **Pre-Trial Chamber van het ICC gaf arrestatiebevelen uit tegen de zittende Israëlische premier Benjamin Netanyahu en minister van Defensie Yoav Gallant wegens oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid begaan in Gaza vanaf 8 oktober 2023 icc-cpi.int icc-cpi.int. Dit betekent dat voor het eerst leidinggevende Israëlische politici juridisch aansprakelijk worden gesteld op het hoogste internationale niveau.

De aanklacht omvat vermoedelijk zaken als het op grote schaal doden van burgers, deportatie/transfer en vervolging – hoewel de precieze inhoud vertrouwelijk is, is bekendgemaakt dat het gaat om misdrijven in de periode 8 oktober 2023 tot 20 mei 2024 icc-cpi.int. Israël erkent de jurisdictie van het ICC niet en heeft aangegeven de arrestatiebevelen te negeren; toch is dit een mijlpaal in de strijd tegen straffeloosheid.

Ten tweede is er een zaak aanhangig bij het Internationaal Gerechtshof (ICJ) op initiatief van o.a. Zuid-Afrika onder het Genocideverdrag, waarin verzocht wordt om voorlopige maatregelen tegen Israël vanwege de gebeurtenissen in Gaza – in januari 2024 heeft het ICJ inderdaad voorlopige maatregelen opgelegd die Israël gebieden geen genocide te plegen en hulp toe te laten hrw.org (al is handhaving lastig). Op diplomatiek niveau onderzoeken sommige landen, zoals Spanje en Colombia, universele jurisdictie-mogelijkheden.

Israël zelf ontkent categorisch oorlogsmisdaden te plegen en benadrukt dat Hamas zich achter burgers verschuilt, wat de tragische verliezen zou verklaren. Desondanks hebben gerenommeerde organisaties als Human Rights Watch en Amnesty inmiddels geconcludeerd dat Israëlische strijdkrachten in Gaza in 2023 grootschalige, stelselmatige schendingen begaan, en noemen zij dit zonder voorbehoud oorlogsmisdaden – Amnesty spreekt van “genocidaal handelen met kennis van de schadelijke gevolgen”amnesty.org.

De hoge aantallen gedode journalisten, medisch personeel en kinderen sterken hun zaak. Kortom, de oorlog van 2023–2024 is momenteel het onderwerp van intense internationale gerechtelijke aandacht: voor het eerst in de geschiedenis zijn zittende Israëlische leiders aangeklaagd op wereldtoneel voor oorlogsmisdrijven icc-cpi.int. Het blijft afwachten hoe effectief deze mechanismen zullen zijn (Netanyahu en Gallant zijn uiteraard niet in hechtenis en zullen dat zolang ze in Israël blijven niet komen, tenzij de politieke dynamiek drastisch verandert).

Niettemin markeert dit een keerpunt in de erkenning: waar eerdere conflicten onbestraft bleven, lijkt de internationale gemeenschap bij de extreme gebeurtenissen in Gaza nu een grens te trekken en rechtsmiddelen – hoe beperkt ook – in stelling te brengen.

Stop de Palestijnse genocide: juridische en politieke argumenten tegen steun aan Netanyahu

Conclusie

Van de Nakba in 1948 tot de Gaza-oorlog van vandaag loopt een pijnlijke rode draad van beschuldigingen van oorlogsmisdaden tegen de staat Israël. In elke fase – de verwoesting van Palestijnse dorpen, de massaslachtingen van 1956, het buitensporige geweld in bezet gebied, de bloedbaden in Libanon, de destructieve Gaza-campagnes – zijn burgerslachtoffers en schendingen van de oorlogsregels gedocumenteerd.

Het internationaal humanitair recht (waaronder de Geneefse Conventies) verbiedt het opzettelijk doden van burgers, collectieve bestraffing, onnodige vernietiging en mishandeling van gevangenen. Toch zijn dergelijke praktijken herhaaldelijk voorgekomen, zo blijkt uit rapporten van de VN en gerenommeerde ngo’s als Amnesty, Human Rights Watch en B’Tselem en.wikipedia.org en.wikipedia.org.

Israël en zijn bondgenoten hebben veelal betwist dat er opzet in het spel was of stelden dat men te maken had met asymmetrische oorlogvoering waarbij de tegenstander zich achter burgers verschuilt.

Internationaal bestaat hierover verdeeldheid. Feit is dat slechts zelden iemand juridisch ter verantwoording is geroepen voor deze vermeende misdaden – een punt dat herhaaldelijk door onderzoekers is bekritiseerd hrw.org hrw.org.

Het beeld van straffeloosheid heeft lang overheerst: Israëlische onderzoeken leidden doorgaans niet tot vervolging van hogere verantwoordelijken, en politieke factoren blokkeerden internationale tribunalen hrw.org.

Nu, in het afgelopen jaar, lijkt de wind te keren. De Internationale Strafhof-zaak over Palestina biedt een nieuw forum waar zowel historische als recente daden (vanaf 2014) beoordeeld kunnen worden. De arrestatiebevelen tegen Israëlische topfunctionarissen in 2024 zijn ongekend en laten zien dat de wereld juridische stappen overweegt waar politiek overleg faalde icc-cpi.int.

Tegelijk blijven zaken betwist: Israël wijst alle aantijgingen van oorlogsmisdaden van de hand en krijgt diplomatieke steun van o.a. de VS, die benadrukken dat Israël het recht heeft zich te verdedigen, maar dringen ook aan op bescherming van burgers.

Waar het op neerkomt, is dat de feiten op het terrein – vastgelegd in talloze rapporten en ooggetuigenverslagen – een patroon van recidiverende schendingen laten zien, terwijl de juridische erkenning en vervolging daarvan achterloopt.

In een journalistieke context is het van belang deze nuance te behouden: veel van de hier beschreven daden zijn aangemerkt als oorlogsmisdaad door internationale experts en organisaties, maar formele juridische schuldvaststelling heeft vaak niet plaatsgevonden, of wordt door Israël bestreden.

De komende periode zal in het teken staan van mogelijke gerechtelijke vervolgstappen (bij het ICC en wellicht nationale rechtbanken) en de vraag of deze eindelijk een einde kunnen maken aan de cyclus van straffeloosheid. Voor de slachtoffers – van Deir Yassin in 1948 tot de families in Gaza nu – blijft gerechtigheid tot dusver uit.

De internationale gemeenschap staat voor de uitdaging om de wetten van oorlog daadwerkelijk af te dwingen, ongeacht politieke gevoeligheden. Alleen dan kan een geloofwaardig signaal worden gegeven. Niemand staat boven het oorlogsrecht. Oorlogsmisdaden mogen in dit langdurige conflict niet ongestraft blijven.

Bronnen: De feiten en juridische beoordelingen in dit overzicht zijn ontleend aan documentatie van de Verenigde Naties, mensenrechtenorganisaties en onderzoeksjournalistiek. Deze bronnen omvatten VN-rapporten (Goldstone 2009, CoI 2015, UNHRC CoI 2022-23).

Ook zijn er bijdragen van Human Rights Watchhrw.org hrw.org. Daarnaast zijn er bijdragen van Amnesty International, B’Tselem en contemporaine nieuwsverslagen. Deze bieden gezamenlijk een genuanceerd maar indringend beeld van een conflict dat nu al 75 jaar gekenmerkt wordt door disproportioneel geweld en voortdurende strijd om verantwoording.

Alles op onze blog is voor Zelfzorg en solidariteit, vaardigheids- en reflectiepraktijk, groei en bewustwording met psycho-educatieve informatie over individu en samenleving.

Op geen enkele manier is dit een aanzet tot haat of geweld, discriminatie of racisme.

✨ Jouw volgende stap naar heling begint hier

Voel je dat dit artikel je raakte? Dat het iets in beweging zette? Laat dat moment niet verloren gaan.

Sluit je aan bij onze online community – een warme, veilige plek waar gelijkgestemden elkaar begrijpen en ondersteunen.

👉 Doe een groeitaak die bij dit artikel hoort. Kleine stappen, grote transformaties.

Laat een reactie achter. Jouw stem kan iemand anders precies de herkenning geven die ze vandaag nodig heeft.

👉 Deel dit artikel met een vriend(in) die worstelt of twijfelt. Soms is één doorstuuractie het verschil tussen vastzitten en vooruitkomen.

🌿 Samen bouwen we aan herstel, kracht en emotionele vrijheid. Steun ons zonder extra kosten door aankopen bij bol. klik op onderstaande afbeelding.

Steun ons zonder extra kost door uw aankopen bij :

Meer info over Annemie Declercq

Liefs Annemie

Gebruik het contactformulier!

We zijn benieuwd naar je reactie hieronder!Reactie annuleren