Achtergrond: Churchill en het Mandaat Palestina
Winston Churchill had al vroeg in zijn carrière bemoeienis met Palestina en het zionisme. Als Brits koloniaal bestuurder stond hij achter de Balfour-verklaring van 1917, die een Joods nationaal tehuis in Palestina beloofdeisraeled.orgisraeled.org. In de jaren 1920 verdedigde hij de Britse Mandaatspolitiek die Joodse immigratie toeliet, terwijl hij formeel de rechten van de Arabische inwoners zou beschermen. Zo stelde Churchill in 1922 als minister van Koloniën dat de Britse regering haar verplichtingen jegens het Joodse volk niet zou herroepenisraeled.org. Tegelijk was hij van mening dat de Arabieren al veel kregen: de oprichting van onafhankelijke Arabische koninkrijken in voormalige Ottomaanse gebieden (zoals Transjordanië en Irak) zag hij als een rechtvaardige beloning voor hun bijdrage in de Eerste Wereldoorlogapi.parliament.ukapi.parliament.uk. Palestijnse Arabieren zelf hadden volgens hem echter “grotendeels tegen ons gevochten” in die oorlog, en moesten zich neerleggen bij de nieuwe ordeapi.parliament.uk. Churchill geloofde dan ook niet dat de Arabieren in Palestina onrecht was aangedaan – in zijn ogen had het “Arabische ras” er dankzij Brits en Frans toedoen beter voor gestaan dan ooit tevoren in hun geschiedenisapi.parliament.uk.
Deze achtergrond verklaart Churchills houding toen het conflict tussen Arabieren en Joodse zionisten in de jaren 1930 oplaaide. Hij bleef overtuigd dat het stichten van een Joods tehuis in Palestina zowel een morele verplichting als een strategisch belang was voor Groot-Brittannië. Hoewel hij nominaal ook de rechten van de Arabische bevolking erkende, zag hij hun nationalistische aspiraties in Palestina vooral als een hinderpaal voor de verwezenlijking van de zionistische belofte. In de loop van de late jaren ’30 – toen hij zelf geen regeringspost bekleedde maar wel als parlementslid actief was – liet Churchill zich meermaals uit over Palestina. Zijn uitspraken uit deze periode tonen een mengeling van imperialistisch wereldbeeld, sympathie voor de Joodse zaak en scherpe kritiek op de Palestijnse Arabieren.
De Arabische Opstand (1936–1939) en Churchills reactie
In 1936 brak in Palestina een grootschalige Arabische opstand uit tegen de Britse Mandaatregering en de voortdurende Joodse immigratie. Churchill benaderde deze Arabische opstand als een ordeprobleem dat met kracht onderdrukt moest worden. Toen de Britse regering de Royal Commission onder leiding van Lord Peel instelde om de onrust te onderzoeken, trad Churchill op 12 maart 1937 op als getuige voor deze Peel-commissiewinstonchurchill.hillsdale.edu. Zijn geheime getuigenis – pas later gepubliceerd – bevat enkele van zijn meest onthullende en controversiële uitspraken over de Palestijnse Arabieren. Zo vergeleek Churchill de Palestijnse bevolking impliciet met een “hond in de manger” (een hond in de kribbe die hooi niet eet maar ook anderen niet gunt): “I do not admit that the dog in the manger has the final right to the manger, even though he may have lain there for a very long time.”richardlangworth.com. Met deze metafoor gaf hij aan dat louter langdurig verblijf de Arabieren geen absoluut recht op Palestina gaf.
Churchill ging zelfs verder door aan de commissie te verklaren dat er geen groot onrecht was geschied toen in andere gebieden in de geschiedenis een inheems volk plaatsmaakte voor kolonisten van een hogere beschaving. Hij ontkende bijvoorbeeld dat “een grote wrong is berokkend aan de Rode Indianen van Amerika of de zwarte mensen van Australië” door hun verdringing door “a stronger race, a higher grade race…” – een krachtiger en hogerstaand rasrichardlangworth.com. Deze uitspraak laat duidelijk Churchills raciale wereldbeeld zien: hij beschouwde de Joodse immigranten (of breder, Europeanen) als een vooruitstrevender “ras” dat de primitieve inheemse bevolking mocht vervangen ten bate van de beschaving. Dergelijke koloniale overtuigingen waren destijds wijdverbreid in het Britse Rijk, en Churchill deelde die kennelijk. Hij benadrukte tegenover de commissie hoe Joodse immigranten de woestijn tot bloei brachten en economische vooruitgang brachten, implicerend dat de Arabieren dat zelf niet voor elkaar kregenrichardlangworth.com.
Churchills afwijzing van Arabische eisen en het Peel-partitieplan
De Peel-Commissie concludeerde in juli 1937 dat de Mandaatopdracht onuitvoerbaar was en stelde een opdeling van Palestina voor in een Joodse en een Arabische staat. Churchill stond sceptisch tegenover dit partitieplan. Hoewel zionistische leiders zoals Chaim Weizmann het Peel-plan in principe accepteerden (in de hoop later meer te verkrijgen) en Arabische leiders het categorisch verwierpen, koos Churchill de kant van de zionistische revisionisten die tégen opdeling waren. Hij waarschuwde dat gedwongen partition geen vrede zou brengen. In het Lagerhuis stelde hij dat deze koers “niet weg van het geweld zal leiden, maar naar het hart ervan; [het] zal niet eindigen in vrede, maar in oorlog”winstonchurchill.hillsdale.edu. Churchill vreesde dat een kleine Joodse staat onhoudbaar zou zijn temidden van vijandige Arabische buren en onvoldoende ruimte zou bieden aan Joodse immigratiewinstonchurchill.hillsdale.edu. Bovendien achtte hij het onaanvaardbaar dat Groot-Brittannië zijn belofte van een Joods nationaal tehuis zou beperken tot een klein gebied. Liever zag hij het Mandaat voortgezet totdat de Joden wellicht een meerderheid in (West-)Palestina konden vormen. Het Britse parlement debatteerde in juli 1937 over het Peel-rapport. Churchill verzette zich daar tegen een al te snelle omarming van partitie. Hij diende een amendement in om het principe van een Joods tehuis te steunen zonder zich definitief op opdeling vast te leggenhansard.parliament.ukhansard.parliament.uk. Uiteindelijk nam de regering het Peel-plan niet meteen ten uitvoer – mede door dergelijke bezwaren – maar zocht nader onderzoek (de latere Woodhead-commissie in 1938).
In retoriek uit die periode blijkt Churchills minachting voor de Arabische oppositie. Hij beklaagde zich erover dat de Britse regering zich überhaupt liet chanteren door Arabisch verzet. Zo sprak hij in 1937 en 1938 van “Arabische fanatici” die zich door nazi-Duitse en fascistisch-Italiaanse agenten lieten opstoken tot geweldapi.parliament.ukapi.parliament.uk. De Palestijnse opstandelingen associeerde hij met “moord en terreur” en hij insinueerde dat Hitlers hand achter hun agitatie stak – bijvoorbeeld door te verwijzen naar Duitse agenten met bomkoffers in Jeruzalemapi.parliament.uk. Deze voorstelling van zaken suggereerde dat de Arabieren niet zozeer legitieme grieven hadden, maar vooral oproerlingen waren die door buitenlandse (As-)machten werden misbruikt. Churchill bekritiseerde de regering omdat zij “bang leek te zijn” voor dit Arabische geweld en daardoor bereid was de zionistische zaak te verradenapi.parliament.ukapi.parliament.uk. In zijn ogen mocht Britse macht niet buigen voor wat hij zag als intimidatie door “murder and assassination” en door primitief verzet.
Typerend is ook Churchills argumentatie dat de Arabieren in feite al ruim voldoende land bezaten. Voor de Peel-Commissie en elders wees hij erop dat alle omliggende Arabische gebieden – het hele Midden-Oosten – enorm waren, terwijl Palestina “slechts zo groot als Wales” wasapi.parliament.uk. “Trans-Jordanië is al weggenomen; de rest van de Arabische landen, bevrijd van Turks bestuur, beslaan een enorme oppervlakte. Dit kleine lapje, Palestina… en nu zouden we deze mensen (de Joden) beletten daarheen te gaan”api.parliament.uk. Hier klinkt duidelijk de koloniale geringschatting door voor de aanspraken van een kleine inheemse bevolking tegenover de vermeende lotsbestemming van een dynamischer volk. Churchill vond het onredelijk dat de Palestijnse Arabieren – door hem vergeleken met een hond die het hooi niet eet – de ontwikkeling van het land zouden blokkeren terwijl elders zoveel ruimte voor hen was.

Het Witboek van 1939: Churchill neemt stelling
Het geweld van de Arabische opstand dwong Londen tot herbezinning. Nadat een rondetafelconferentie met Arabieren en Joden begin 1939 op niets uitliep, koos de Britse regering van Neville Chamberlain voor een drastische koerswijziging ten gunste van de Arabische eisen. In mei 1939 werd het Witboek van 1939 uitgevaardigd. Deze nieuwe beleidslijn beperkte de Joodse immigratie tot slechts 75.000 personen voor de komende vijf jaar en bepaalde dat daarna verdere immigratie afhankelijk zou zijn van Arabische instemmingwinstonchurchill.hillsdale.edu. Ook beloofde het Witboek dat Palestina binnen 10 jaar onafhankelijk zou worden – waarbij duidelijk was dat de Arabieren, die tweederde meerderheid vormden, dan de staat zouden domineren. Feitelijk verzekerde het Witboek de Arabische gemeenschap van een permanente meerderheid en degradeerde het de Joden tot een blijvende minderheid van hoogstens eenderde van de bevolkingapi.parliament.ukapi.parliament.uk. Voor de zionisten was dit een klap: het leek een breuk met de Balfour-verklaring en het Mandaat, die geen dergelijk slot op Joodse immigratie kenden.
Churchill, toen nog lid van het Lagerhuis voor de Conservatieven maar niet in de regering, voerde fel oppositie tegen het Witboek. In het Parlementsdebat van 22–23 mei 1939 hekelde hij de nieuwe policy als een verraad aan eerdere Britse beloften en als een capitulatie voor Arabisch geweld. Hij verklaarde ronduit: “We beschouwen dit Witboek als een cynische schending van de toegezegde plechtige beloften aan de Joden”api.parliament.uk. Churchill herinnerde de Kamer eraan dat hij persoonlijk betrokken was geweest bij die beloften in de jaren ’20 en “in geen geval kon instemmen met een dergelijk repudiëren ervan”israeled.orgisraeled.org. Volgens hem verruilde de regering haar eer en langdurige doelstellingen voor een illusoir “rustig leven”israeled.org.
Hij wees er bovendien op dat de Palestijnse Arabieren nauwelijks recht van spreken hadden gezien hun houding in de wereldoorlog. “Ik kan niet vinden dat wij het Arabische ras onrecht hebben aangedaan na de steun die ze ons gaven in de late oorlog. De Palestijnse Arabieren hebben uiteraard grotendeels tégen ons gevochten…” memoreerde hij snedig in het debatapi.parliament.uk. Vervolgens somde hij op hoe Groot-Brittannië elders aan Arabische aspiraties tegemoet was gekomen: “Onafhankelijke Arabische koninkrijken en emiraten zijn ontstaan zoals nooit tevoren… Samen plaatsten wij Emir Abdullah in Transjordanië… en Faisal op de troon van Irak… Maar tegelijk lieten wij duidelijk blijken dat we geen deur zouden sluiten voor de ontwikkeling van het Joods Nationaal Tehuis, gevoed door voortdurende Joodse immigratie in Palestina. Kolonel Lawrence vond dit toen rechtvaardig. Waarom zou men nu pretenderen dat het onrechtvaardig is?”api.parliament.uk. Met deze historische terugblik probeerde Churchill aan te tonen dat de afspraken van na WWI – hoe dubbelzinnig ook – een fair deal waren: de Arabieren hadden hun staten gekregen, de Joden recht op immigratie in het overgebleven Palestina. Zelfs T.E. Lawrence, de beroemde “Arabenvriend”, had dat destijds zo beoordeeldapi.parliament.uk. Daarom achtte Churchill het 1939-beleid, dat Joodse immigratie afrondde, een schandelijke breuk met een eerlijk compromis.
Churchills woordkeuze tijdens dit debat onderstreepte nogmaals zijn partijdigheid. Hij sprak met respect en mededogen over de Joden – die wereldwijd vervolgd werden en voor wie Palestina een toevlucht was in “een tijd van tragedie en vrees”api.parliament.uk. Daartegenover schilderde hij de Arabieren af als de overwinnaars die toch alles kregen wat ze wilden: “De triomferende Arabieren hebben het [plan] verworpen… De wanhopige Joden zullen zich ertegen verzetten”api.parliament.uk. In Churchills ogen beloonde het Witboek Arabisch wangedrag: “Het enige dat dit beleid bewijst is dat geweld loont. Men buigt voor de dreiging”, zo stelde hij in essentie. Hij waarschuwde dat deze zwakte de agressors in Europa – Hitler en Mussolini – slechts zou aanmoedigen, omdat ze zouden denken dat dit “weer een München” was, een nieuwe capitulatieapi.parliament.uk. Zijn retoriek koppelde dus het toegeven aan Arabische druk direct aan algemene appeasement-politiek, wat in 1939 een zeer beladen verwijt was.
Uiteindelijk verloor Churchill de stemming: ondanks zijn vlammende pleidooi werd het Witboek aangenomen met 268 tegen 179 stemmenwinstonchurchill.hillsdale.eduwinstonchurchill.hillsdale.edu. Veel Conservatieve partijgenoten volgden Chamberlains lijn, uit zorgen om de relaties met de Arabische en islamitische wereld. Inderdaad had premier Chamberlain kort tevoren gesteld dat het van “groot belang is de moslimwereld aan onze kant te hebben” en dat, “als we een kant moeten krenken, we dan liever de Joden krenken dan de Arabieren”winstonchurchill.hillsdale.edu. Deze geopolitieke berekening – ingegeven door dreigende oorlog en de behoefte aan Arabische olie en steun in het Midden-Oosten en in Brits-Indië – won het van Churchills principiële standpunt. Toch markeerde Churchill hiermee zijn reputatie als voorvechter van de zionistische zaak in Westminster. Zionistische organisaties publiceerden zijn speech afzonderlijk als pamflet “What Mr. Churchill said…” om te onderstrepen dat niet alle Britse politici de Joodse aspiraties lieten vallenwinstonchurchill.hillsdale.eduwinstonchurchill.hillsdale.edu.
In de ogen van Palestijnse sympathisanten bevestigde Churchills felle verzet tegen het Witboek echter zijn onverschilligheid tegenover Arabische rechten. Hij sprak in het debat nauwelijks over de Arabische kant behalve in negatieve termen. Zo zei hij bijvoorbeeld cynisch dat sommigen wellicht “pro-Arabisch of anti-Joods” waren, maar dat dat voor hem niet teldeisraeled.org. Zijn focus lag volledig op de Britse eer en de Joodse nood. De Arabieren figureerden vooral als dwarsliggers of als pionnen van buitenlandse dictators. Daarmee liet Churchill er geen misverstand over bestaan dat hij de strijd tussen Arabieren en Joden in Palestina beschouwde als een strijd die Britten in principe ten gunste van de Joden moesten beslechten.
Churchill tijdens de oorlogsjaren (1940–1944)
In mei 1940 werd Churchill premier van een coalitieregering. De Tweede Wereldoorlog werd uiteraard zijn hoofdfocus, maar de kwestie Palestina bleef op de achtergrond belangrijk. De spanningen tussen Joden en Arabieren waren door het uitbreken van de oorlog enigszins gedempt – de Arabische opstand was eind 1939 militair neergeslagen en het Joodse leiderschap koos ervoor de Britten te steunen tegen de as-mogendheden (hoewel ze het Witboek bleven verafschuwen). Churchills regering handhaafde officieel het Witboek van 1939 tijdens de oorlogsjaren. In de praktijk hield dit o.a. in dat de deur voor Joodse vluchtelingen uit Europa, hoe tragisch ook hun lot, grotendeels gesloten bleef. Churchill had weliswaar in 1939 beloofd dat zo’n “breuk van de Britse eer” niet noodzakelijk bindend zou zijn voor een opvolgende regeringapi.parliament.uk, maar eenmaal in functie koos hij ervoor de restrictieve immigratiepolitiek niet publiekelijk te herzien. Dit had strategische redenen: Groot-Brittannië kon zich geen nieuwe onrust in het Midden-Oosten veroorloven terwijl het tegen Duitsland en Italië vocht. Zo bleef men Arabisch sentiment ontzien. Churchill stemde er dus – zij het met tegenzin – mee in dat de immigratiebeperking van vijf jaar (1939–1944) werd uitgevoerdisraeled.orgisraeled.org. Historici merken op dat Churchill als premier “het beleid niet veranderde, hoewel de Europese Joden er baat bij hadden kunnen hebben als Palestina een toegankelijk toevluchtsoord was”israeled.org.
Achter de schermen probeerde Churchill echter wel te voorkomen dat het Witboek het eindstation zou worden. Hij voelde niets voor de bepaling dat na 1944 Arabische toestemming nodig zou zijn voor verdere Joodse immigratiewinstonchurchill.hillsdale.edu. In april 1942, midden in de oorlog, liet Churchill in een notitie aan het Oorlogskabinet duidelijk optekenen dat hij “onder geen beding kan instemmen met een absolute stopzetting van Joodse immigratie naar Palestina onder het dictaat van een Arabische meerderheid”winstonchurchill.hillsdale.edu. Deze uitspraak, gedaan terwijl het officiële beleid dat juist wel voorzag, toont dat Churchill voor de toekomst de handen vrij wilde houden. Ook keurde hij in meerdere gevallen illegale Joodse immigratie door (bijvoorbeeld zijn mededogen met de Joodse overlevenden van de Patria-scheepsramp in Haifa, die hij in 1940 niét terug naar zee liet sturen ondanks orders van generaal Wavell)winstonchurchill.hillsdale.edu. Daarnaast stimuleerde hij de oorlogsinzet van Joden: uiteindelijk stemde hij in met de oprichting van de Jewish Brigade Group in het Britse leger, een Joodse eenheid die eind 1944 gevormd werd en onder eigen vlag vochtwinstonchurchill.org. Dit was een symbolische tegemoetkoming aan de Zionisten en toonde Churchills blijvende bereidheid om de Joodse gemeenschap te steunen.
Toch bleef Churchill gebonden aan coalitiepartners en topfunctionarissen die minder zionistisch waren. Zijn minister van Buitenlandse Zaken Anthony Eden bijvoorbeeld had openlijk een pro-Arabische houding – Eden “hield van de Arabieren en haatte de Joden”, noteerde diens eigen secretaris eenswinstonchurchill.hillsdale.edu. Dergelijke opvattingen binnen de Britse elite beperkten de ruimte voor pro-Joodse beleidswijzigingen. Churchill moest dus balanceren. In publieke uitlatingen tijdens de oorlog sprak hij weinig over Palestina om de eenheid binnen de geallieerden (waaronder Arabische landen als Egypte, Irak en Saudi-Arabië) niet te verstoren. Sterker nog, in februari 1945 zocht hij zelfs toenadering tot Arabische leiders: hij ontmoette in Egypte koning Ibn Saoed van Saoedi-Arabië om persoonlijk de Arabische grieven aan te horen en de relatie te onderhoudenrichardlangworth.com. Hoewel details van hun gesprek niet openbaar zijn, illustreert dit dat Churchill begreep dat hij de Arabische wereld kalm moest houden tot de oorlog gewonnen was.
Ondertussen voltrok zich een tragedie waarvan Churchill zich terdege bewust was: de Holocaust. Steeds meer nieuws bereikte Londen over de massamoord op de Joden in Europa. Churchill sprak daarover met afschuw. In 1944 werd hij door Zionistische emissarissen zelfs gevraagd om de naziconcentratiekampen (zoals Auschwitz) te bombarderen om de moord te stoppen – een verzoek dat hij na overleg uiteindelijk niet heeft ingewilligd, om militaire redenen. Dit leidde tot teleurstelling bij de Zionisten, maar toont andermaal het dilemma waarin hij verkeerde: zijn hart lag bij het redden van Joden, maar als regeringsleider moest hij militaire en politieke afwegingen maken.
Ironisch genoeg verschoof tegen het einde van de oorlog het conflict in Palestina weer van toon. De Joodse ondergrondse begon namelijk, uit frustratie over het nog geldende immigratieverbod, ondergronds actie te voeren tegen de Britse autoriteiten. In november 1944 pleegden leden van de extremistengroep Lehi (Stern Gang) in Caïro een aanslag op Lord Moyne (Walter Guinness), de Britse minister-resident in het Midden-Oosten en een persoonlijke vriend van Churchill. Moyne werd vermoord door twee zionistische terroristen. Deze gebeurtenis schokte en woedend maakte Churchill. In het Lagerhuis veroordeelde hij de “afschuwelijke moord” scherp en noemde hij het “een van de ernstigste misdaden” die de Zionistische zaak had kunnen overkomen, omdat het vertrouwen vernietigde. Volgens biograaf Michael J. Cohen weigerde Churchill na deze moordaanslag ooit nog Chaim Weizmann of andere Zionistische leiders te ontmoetenisraeled.org. Zijn antipathie tegenover de extremistische vleugel van het zionisme verdiepte zich duidelijk. Deze late episode (eind 1944) toont dat Churchills steun aan de Joodse zaak niet onvoorwaardelijk was: zodra Joodse groepen het Britse gezag tartten of terreur gebruikten, kon hij even hard afkeurend zijn. Niettemin bleef hij voor het grote geheel geloven in de zionistische onderneming – maar wel onder Britse regie.
Koloniale retoriek en raciale opvattingen
Churchills taalgebruik over Arabieren en Joden in deze periode weerspiegelt de koloniale denkbeelden van zijn tijd. Ten aanzien van Joden uitte hij respect, bewondering en soms ook medelijden. Hij prees hun vaardigheid om de woestijn te laten bloeien, hun technische en culturele niveau en benadrukte de tragiek die hen in Europa trofrichardlangworth.comrichardlangworth.com. In een speech in augustus 1940 merkte hij zelfs op dat sinds “de Duitsers de Joden hebben verdreven en hun technisch peil hebben verlaagd, onze wetenschap definitief voorligt op de hunne” – een verwijzing naar de bijdrage van gevluchte Joodse geleerden aan het geallieerde oorlogsprojectwinstonchurchill.hillsdale.edu. Churchill gebruikte het woord “ras” vaak in de toenmalige betekenis van volk of etnie. Zo sprak hij over de “Joodse race” die superieur zou zijn in kunde aan de “Arabische”richardlangworth.com. Hoewel hijzelf fel tegen het antisemitisme van Hitler was (hij noemde het “gestoord” om iemand enkel op basis van geboorte te hatenwinstonchurchill.hillsdale.edu), bediende Churchill zich in privékringen soms ook van klassieke stereotype ideeën over Joden. Maar publiekelijk, zeker omtrent Palestina, was zijn houding jegens de Joden overwegend positief of althans paternalistisch beschermd.
Ten aanzien van de Arabieren daarentegen klonken in Churchills uitspraken duidelijk neerbuigende en soms ronduit racistische tonen door. We hebben reeds zijn “dog in the manger”-uitspraak besproken, waarin hij impliciet de Palestijnen als jaloerse blokkeerders neerzetrichardlangworth.com. Meer expliciet was zijn stelling dat de komst van een “higher grade race” – een hogerwaardig ras – in Palestina geen onrecht betekende voor de oorspronkelijke bewonersrichardlangworth.com. Hiermee plaatste hij Arabieren op de laagste sport van de beschavingsladder en rechtvaardigde hij koloniaal overheersing en landname. Dit idee sloot aan bij de in die tijd gangbare imperialistische opvatting dat Westerse volken of geallieerden van Europa (“wereldwijzer rassen”) een moderniserende missie hadden in de rest van de wereld. Churchill noemde de Arabieren nooit direct minderwaardig, maar uit zijn vergelijkingen bleek dat hij hen zag als minder vooruitstrevend en, indien ongestoord gelaten, geneigd tot stagnatie. Zo merkte een Brits commissielid in 1937 op dat de Arabieren in Palestina “traag” waren en “niet van hetzelfde kaliber” als de Jodenpalquest.org – een sentiment dat Churchill ongetwijfeld deelde gezien zijn eigen woorden.
Verder schilderde hij de Arabieren geregeld af als fanatici of onredelijke lieden gedreven door primitieve emotie. Al in de vroege jaren ’20 had hij te maken met protesten van Arabieren tegen Joodse immigratie. Zijn militaire adviseur toen, Col. Richard Meinertzhagen, noteerde bewonderend dat Churchill duidelijk maakte dat “we cannot abandon to Arab fanaticism Jewish efforts” – wij de Joodse inspanningen niet aan Arabische achterlijkheid/fanatisme mochten prijsgevenwinstonchurchill.hillsdale.edu. Dit citaat (hoewel uit 1921) vat Churchills houding treffend samen: in zijn ogen was Arabisch verzet vaak ingegeven door kortzichtig fanatisme, terwijl Joodse inspanningen waardevol en constructief waren. Tijdens de Arabische opstand en erna bleef hij dit frame hanteren. Hij sprak over “Arabische agitators” die geweerd moesten wordenapi.parliament.uk. Zelfs hun religieuze aanspraken relativeerde hij; zo suggereerde hij dat de kwestie niet primair om religie ging maar om economische achterstand – waarbij de Arabieren het aflegden tegen de “superieure vaardigheden en cultuur” van de Europese Jodenrichardlangworth.com.
Churchills retoriek contrasteerde sterk de koloniale stereotype beelden: aan de ene kant de nijvere, hoogstaande, Europese “Jood”, aan de andere kant de achteropgeraakte, emotionele “Arabier”. Hij verwees bijvoorbeeld naar de “great hordes of Islam” die in zijn visie de vooruitgang in het Midden-Oosten in de weg stonden, versus het verlichte westerse Jodendom (een term overigens die hij niet zo expliciet gebruikte, maar impliciet wel neerzette)electronicintifada.netelectronicintifada.net. Deze houding was niet uitzonderlijk voor een Britse elitefiguur uit zijn tijd. Veel Britse beleidsmakers hadden oriëntalistische opvattingen: men waardeerde bijvoorbeeld de vermeende aristocratische charme van bepaalde Arabische leiders, maar vond de Palestijnse massa’s ongeschoold en makkelijk opstookbaar. Tegelijk bestond er binnen het Britse establishment ook argwaan jegens de zionistische beweging en Joden (soms antisemitisme). Churchill zelf echter profileerde zich juist als vriend van de Joden en zag in het zionisme een nuttig instrument voor het Britse imperium (bijvoorbeeld om de Britse invloed in het Midden-Oosten te versterken en pro-Britse bondgenoten te hebben)electronicintifada.netelectronicintifada.net. Zijn steun daaraan werd mede gemotiveerd door strategische overwegingen – tijdens WWI geloofde men bijvoorbeeld dat steun aan zionisme Amerikaanse en Russische Joden pro-Geallieerd zou stemmenelectronicintifada.netelectronicintifada.net. Toch speelde ongetwijfeld ook een zekere sentiment mee: Churchill had oprechte bewondering voor de Joodse cultuur (bijbelgetrouw en ondernemend) en zag zichzelf als behoeder van een historische belofte.
In Westminster weerspiegelden debatten over Palestina deze verdeeldheid. Churchill was aanhoudend een van de luidste pro-zionistische stemmen. Hij deinsde er niet voor terug collega’s te beschuldigen van anti-Joods vooroordeel of kortzichtigheid, zoals in 1939 toen hij suggereerde dat sommigen wellicht “anti-Semiet of pro-Arabisch” waren uit gemakzuchtisraeled.org. Tegelijk werd hij door tegenstanders gezien als te eenzijdig. Binnen zijn eigen Conservatieve partij stonden niet allen achter hem; mensen als Oliver Stanley en zelfs leden van de regering vonden zijn standpunt te partisan. In 1940, kort voordat hij premier werd, noemde Viscount Templewood (Samuel Hoare) – geen fan van Churchill – diens “pro-Zionist row over land settlement in Palestine” (het pro-zionistische relletje over landregelingen in Palestina) als een van Churchills zwakke puntenwinstonchurchill.hillsdale.edu. Met andere woorden, sommigen achtten Churchill té veel beïnvloed door de Joodse zaak. Dit illustreert dat pro-Arabische gevoelens en het behoud van stabiliteit in het Midden-Oosten zwaar wogen bij een groot deel van de beleidsmakers. Churchill bleef echter benadrukken dat Britse imperial interests en zionisme hand in hand konden gaan: “All legitimate interests are in harmony,” schreef hij ooit optimistisch over Joden, Arabieren en Britten in Palestina. Maar de werkelijkheid was weerbarstiger.
Conclusie
Tussen 1936 en 1944 ontwikkelde Winston Churchill zich tot een uitgesproken pleitbezorger van de Joodse nationale aspiraties in Palestina, terwijl hij de verlangens en grieven van de Palestijnse Arabieren met zichtbare kilte en soms met minachting benaderde. In de context van het Britse Mandaat zag hij de Arabieren vooral als onderdanen van het Rijk wier loyaliteit kon worden afgekocht met elders gegeven concessies, niet als een volk met een gelijkwaardig nationaal recht in Palestina. Tijdens de Arabische opstand koos hij zonder aarzeling de kant van een harde repressie en een voortzetting van de zionistische opbouw. Zijn getuigenis en uitspraken uit 1937 lieten een imperialist aan het woord die geloofde in hiërarchie van “beschavingen” – met de Europeanen en Joden bovenaan en de Arabieren onderaanrichardlangworth.comrichardlangworth.com. In de nasleep van de opstand verwierp hij het Britse beleid van tegemoetkoming aan de Arabische eisen (het Witboek van 1939) als verraad aan Britse beloftes en als overwinning van geweldapi.parliament.ukapi.parliament.uk. Hij framede de kwestie steevast als een morele verplichting om de Joden niet aan hun lot over te laten, zeker gezien hun benarde positie elders in de wereldapi.parliament.uk.
Toch was Churchills visie niet louter ingegeven door altruïsme jegens de Joden; zij werd mede gevormd door de raciale opvattingen en imperiale belangen van zijn tijd. Hij deelde de wijdverspreide mening in Groot-Brittannië dat het Rijk stabiliteit moest handhaven in het Midden-Oosten en was bereid daarvoor tijdelijk Arabische grieven serieus te nemen (zoals blijkt uit zijn behoud van het Witboek tijdens de oorlog onder druk van strategische noodzaak). Maar principieel bleef hij geloven dat de geschiedenis aan de kant van het zionisme stond. Zijn retoriek tegenover Arabieren – variërend van het ontzeggen van hun aanspraak “na zo lang in de kribbe te hebben gelegen”richardlangworth.com tot het wegzetten van hun verzet als fanatisme – onthult een paternalistisch, soms ronduit racistisch wereldbeeld dat toen gangbaar was in koloniale kringen. Tegelijkertijd was Churchill pragmatisch genoeg om in de oorlogsjaren geen nieuwe brandhaard te ontketenen; hij parkeerde de kwestie tijdelijk, zonder zijn uiteindelijke visie op te gevenwinstonchurchill.hillsdale.edu.
In Westminster en daarbuiten weerspiegelde Churchill daarmee het bredere debat: Was Palestina een belofte aan de Joden of behoorden de rechten van de Arabische meerderheid te prevaleren? Churchill stelde duidelijk dat voor hem de Balfour-belofte en Britse eer voorop stonden – “wij kunnen de Joodse nationale tehuis-gedachte niet zomaar afzweren”, was zijn credoisraeled.orgisraeled.org. Zijn woorden in 1939 dat het Witboek “het einde betekent van de visioen, de hoop, de droom” van het Joodse tehuiswinstonchurchill.hillsdale.edu getuigden van zijn emotionele investering in die zaak. Over de Arabieren sprak hij in datzelfde debat nauwelijks als volk met een droom; hij zag hen veeleer als factor in Brits imperiale calculus of als obstakel dat met tijd, kracht of diplomatie overwonnen moest worden.
Kortom, in de periode 1936–1944 profileerde Winston Churchill zich als een uitgesproken voorstander van de zionistische ambitie in Palestina en een criticus van de Palestijns-Arabische aspiraties. Zijn uitspraken variëren van scherpe parlementaire tirades tegen toegeven aan “Arabische druk” tot privé-getuigenissen doordrenkt van koloniale superioriteitsgevoelens jegens de Arabieren. Die houding werd gevoed door zowel de raciale ideeën van het imperiale tijdperk als door strategische overwegingen in de schaduw van een wereldoorlog. Churchills visie illustreert daarmee hoe Britse beleidsmakers balanceerden tussen imperiale belangen, eigen vooroordelen en de concurrerende nationalismen in Mandaat-Palestina – en hoe in zijn geval de balans duidelijk doorsloeg in het voordeel van de Joodse zaak, met een blijvende scepsis of zelfs koelheid jegens de Arabische bevolking van Palestina.
Bronnen: Churchill’s getuigenis voor de Peel Commission 1937richardlangworth.comrichardlangworth.com; Verslag Peel Commissionelectronicintifada.netelectronicintifada.net; Debat Lagerhuis 21 juli 1937winstonchurchill.hillsdale.edu; Debat Lagerhuis 23 mei 1939 (Hansard)api.parliament.ukapi.parliament.uk; Hansard 23-5-1939api.parliament.ukapi.parliament.uk; Churchill in The Gathering Stormwinstonchurchill.hillsdale.edu; Martin Gilbert, Churchill and the Jewswinstonchurchill.hillsdale.eduwinstonchurchill.hillsdale.edu; Michael J. Cohen, Churchill and the Jews, 1900-1948; Ken Stein (2020) analyseisraeled.orgisraeled.org; Richard M. Langworth, Churchill, Palestine and Israelrichardlangworth.comwinstonchurchill.hillsdale.edu; Thomas Suárez, Winston Churchill’s racist legacy in Palestineelectronicintifada.netelectronicintifada.net; Churchill Archives (Hansard)api.parliament.ukapi.parliament.uk; en diverse parlementaire en primaire documenten uit de periode.
Alles op onze blog is voor Zelfzorg en solidariteit, vaardigheids- en reflectiepraktijk, groei en bewustwording met psycho-educatieve informatie over individu en samenleving.
Op geen enkele manier is dit een aanzet tot haat of geweld, discriminatie of racisme.
✨ Jouw volgende stap naar heling begint hier
Voel je dat dit artikel je raakte? Dat het iets in beweging zette? Laat dat moment niet verloren gaan.
Sluit je aan bij onze online community – een warme, veilige plek waar gelijkgestemden elkaar begrijpen en ondersteunen.
👉 Doe een groeitaak die bij dit artikel hoort. Kleine stappen, grote transformaties.
Laat een reactie achter. Jouw stem kan iemand anders precies de herkenning geven die ze vandaag nodig heeft.
👉 Deel dit artikel met een vriend(in) die worstelt of twijfelt. Soms is één doorstuuractie het verschil tussen vastzitten en vooruitkomen.
🌿 Samen bouwen we aan herstel, kracht en emotionele vrijheid. Steun ons zonder extra kosten door aankopen bij bol. klik op onderstaande afbeelding.
Steun ons zonder extra kost door uw aankopen bij :
https://www.steunfondsvooroekraine.be/donatiepagina
Liefs Annemie