Brief aan de Hebreeën: Nederlandse Vertaling door Paul Thoen

Ad Hebraeos – Hebreeënbrief

 

110.1 Zo zegt het Jahwe tot mijn heer : ‘wees gezeten aan mijn rechterhand:
welhaast doe ik uw vijanden zijn een voetschabel voor uw voeten.’
110.4 Jahwe zwoer het – Hij neemt het niet terug:
‘gij zult priester zijn, de eeuwen door, krachtens mijn uitspraak: Melchisedek’

 

 

1.1-1.4 Exordium

Vele keren en op vele wijzen eertijds gesproken hebbend tot de vaderen in/door de profeten,
heeft op het einde van/in deze dagen God gesproken tot ons in/door een zoon,
die hij erfgenaam gemaakt heeft van alles, door wie hij ook de eeuwen geschapen heeft,
die, afstraling zijnde van de heerlijkheid en uitdrukking van zijn wezen en dragend alles door het woord van zijn kracht/krachtig woord,
reiniging van de zonden bewerkt hebbend, zich heeft neergezet aan de rechterkant van de majesteit in de hoogten,
des te sterker geworden dan de engelen, naarmate hij een duidelijk verschillende naam geërfd heeft aan hen voorbij.

1.5-2.18 Eerste deel : de naam van Christus

1.5-1.14 De goddelijke naam van Christus

 

Tot wie inderdaad heeft hij ooit gezegd onder de engelen:
“Mijn zoon ben jij, ik heb je vandaag voortgebracht.”
en weer:
“Ik zal hem tot vader zijn, en hij zal voor mij tot zoon zijn.”
Wanneer hij dan weer zijn eerstgeborene in de bewoonde wereld binnenleidt, zegt hij:
“En dat voor hem alle engelen Gods neerbuigen.”

En met betrekking tot de engelen zegt hij:
“Die zijn boden/engelen tot winden/geesten maakt en zijn dienaren tot een vlam van vuur.”
Maar met betrekking tot de zoon:
“Jouw troon, God, (is) voor de eeuw van de eeuw en de staf van de rechtschapenheid
(is) staf van jouw koningschap.
Daarom, God, heeft jouw God je gezalfd met olie van vreugde aan jouw deelgenoten voorbij.”

En:
“Jij hebt in den beginne, Heer, de aarde gegrondvest en werk van jouw handen zijn de hemelen.
Deze zullen vergaan (a), jij echter zult blijven (b) en allen zullen als een kleed verslijten (c),
en als een mantel zul je ze opvouwen (d), als een kleed ook zullen ze verwisseld worden (c).
Jij echter bent dezelfde (b’) en jouw jaren zullen geen einde nemen (a’).”

Maar tot wie van de engelen heeft hij ooit gezegd:
“Zet ja aan mijn rechterkant, tot ik jouw vijanden gemaakt heb tot een bank voor jouw voeten”?
Zijn zij niet allen diende geesten, tot dienst uitgestuurd omwille van wie heil zullen erven?

2.1 Een eerste aansporing

Daarom is het nodig dat wij des te meer aandacht schenken aan wat gehoord werd,
opdat we geenszins zouden verdwalen.

Als immers het door engelen gesproken woord betrouwbaar was en elke overtreding en
ongehoorzaamheid een rechtmatige vergelding kreeg,
hoe zouden wij dan ontkomen,
wanneer we een zo belangrijke redding verwaarlozen,
die toch, een aanvang genomen hebbend (met) gezegd te worden door de (verrezen) heer,
door wie het gehoord hadden bevestigd werd aan ons,
terwijl God het getuigenis steunde door tekenen en wonderen en velerlei machtsdaden en
gaven van heilige geest volgens zijn wil?

2.5-2.18 De menselijke naam van Christus

 

Ergens getuigde iemand ervan met de woorden:
“Wat is een mens dat je hem gedenkt? Of een mensenzoon dat je naar hem omziet?
Je hebt hem een korte tijd verlaagd aan de engelen voorbij met luister en eer heb je hem omkranst.
Alles heb je onder (aan) zijn voeten gelegd.”

Inderdaad, bij het onderwerpen van alles (aan hem) heeft (God) niets niet onderworpen gelaten.
In feite echter zien we nog niet dat alles aan hem onderworpen is
maar wel merken we dat Jezus, die korte tijd verlaagd geweest is aan de engelen voorbij,
door het verduren van de dood met luister en eer omkranst werd, opdat hij door de genade van God ten voordele van elkeen de dood zou geproefd hebben

Het paste inderdaad aan hem, omwille van wie alles is en door wie alles is,
dat hij, vele zonen leidend naar de heerlijkheid, de aanvoerder van hun redding door
lijden tot volmaaktheid bracht.
Immers, zowel wie heiligt als wie geheiligd worden (komen) allen uit één (en dezelfde oorsprong).

Om die reden schrikt hij er niet voor terug hen (zijn) broeders te noemen met de woorden:
“Ik zal jouw verkondigen aan mijn broeders, te midden van een gemeente zal ik jou loven.”
en weer:
“Ik zal mij (helemaal) op hem verlaten.”
en weer:
“Zie, (hier ben ik) ik en (hier zijn) de kinderen die God mij gegeven heeft.”

 

Wanneer dan de kinderen deel (gekregen) hebben aan bloed en vlees, heeft ook hij op gelijkaardige wijze daar deel aan gekregen,
opdat hij door de dood krachteloos zou maken degene die macht heeft over de dood, dit is de duivel,
en opdat hij al diegenen zou bevrijden die uit vrees voor de dood doorheen heel het leven onderworpen waren aan slavernij.
Hij ontfermt zich inderdaad echt niet over de engelen maar over nakomelingen van Abraham.

Vandaar dat hij in alles aan de broeders gelijk moest worden,
opdat hij een barmhartige en betrouwbare hogepriester zou zijn met betrekking tot wat met God te maken heeft,
met het oog op het uitwissen van de zonden van het volk.
Inderdaad, door wat hij zelf geleden heeft bij het doorstaan van de proef, kan hij
de beproefden te hulp komen.

3.1-5.10  Tweede Deel : Christus, de betrouwbare en medelijdende hogepriester

3.1-4.14 Eerste Sectie : de betrouwbare hogepriester

 

Vandaar, heilige broeders, als deelgenoten aan een hemelse roeping, aanschouw de apostel en hogepriester van onze geloofsbelijdenis, Jezus,
die betrouwbaar is voor wie hem heeft aangesteld, zoals ook Mozes, in (heel) zijn huis.
Deze wordt inderdaad een grotere heerlijkheid waardig geacht aan Mozes voorbij
in de mate dat de bouwer van het huis grotere eer geniet dan het huis (zelf).
Elk huis wordt immers door iemand gebouwd maar degene die alles bouwt (is) God.
En Mozes (is) betrouwbaar in heel zijn huis als dienaar tot getuigenis van wat zal gezegd worden,
Christus van zijn kant (is het) als zoon over zijn huis en zijn huis zijn wij, als wij blijven vasthouden aan de openheid en de fierheid van de hoop.

Daarom, zoals de heilige geest zegt:
“Heden, als jullie zijn stem horen, maak (dan) jullie harten niet verstokt zoals in de verbittering
volgens de dag van de beproeving in de woestijn, waar jullie vaderen mij op de proef gesteld
hebben door een keuring en (toch) gezien hebben mijn werken gedurende veertig jaar –
daarom ben ik toornig geworden op dit geslacht en zei ik:
‘Altijd door dwalen ze in hun hart maar hebben ze mijn wegen niet leren kennen,
zodat ik gezworen heb in mijn woede: Als ze (ooit) zullen binnengaan in mijn rust!’”

Zie toe, broeders, dat nooit in iemand van jullie een kwaad hart van ongeloof zij,
door het afvallen van de levende God.
Maar bemoedig elkaar dag na dag , zolang van ‘heden’ gesproken wordt,
opdat niet iemand van jullie verhard geraakt door misleiding van de zonde.
Wij zijn immers deelgenoten geworden van Christus als we tenminste de aanvang
van het vaste vertrouwen ongeschokt behouden tot het einde,
doordat er gezegd wordt:
‘Heden, als jullie zijn stem horen, verhard jullie harten niet, zoals tijdens de verbittering.”

 

Wie immers zijn, toen ze gehoord hadden, verbitterd geworden? Waren het niet allen die door toedoen van Mozes uit Egypte weggetrokken zijn?
Op wie is God toornig geworden geweest veertig jaar lang? Was het niet op de zondaars, van wie de leden in de woestijn gevallen zijn?
Aan wie heeft hij gezworen dat zij niet in zijn rust zouden binnengaan, als het niet aan de ongehoorzamen was?
En we zien dat ze niet konden binnengaan (juist) wegens ongeloof.

Laten we dus vrezen dat, zolang de belofte in te treden in zijn rust openstaat, misschien iemand onder jullie blijft achterop te blijven.

Ook wij hebben inderdaad de blijde boodschap ontvangen, juist zoals zij:
maar het woord van het horen heeft hen niet geholpen, omdat ze zich niet vermengd
hadden door het geloof met hen die gehoord hadden.
We zullen inderdaad in de rust binnentreden als gelovigen, zoals hij gezegd heeft:
“Zodat ik gezworen heb in mijn woede, als ze (ooit) zullen binnengaan in mijn rust!”
Hoewel zijn werken er vanaf de grondvesting van de wereld waren.
Men heeft inderdaad ergens over de zevende dag als volgt gesproken:
“En God rustte de zevende dag van al zijn werken.”
en verder in dit:
“Als ze (ooit) zullen binnengaan in mijn rust!”

 

Gezien dus overblijft dat sommigen (mogen) binnengaan in deze (rust)
en degenen die eerder de blijde boodschap ontvangen hadden niet binnengegaan zijn wegens hun ongehoorzaamheid,
bepaalt hij weerom een dag, heden, zeggend met David na zo lange tijd, zoals voordien gezegd was:
“Heden, als jullie mijn stem horen, verhard niet jullie harten.”
Inderdaad, indien Jozua hen de rust bezorgd had, zou (God) daarna niet meer over een andere dag gesproken hebben.
Zo blijft dus de sabbatrust over voor het volk van God.
Inderdaad, wie binnengegaan is in zijn rust, rustte ook zelf uit van zijn werken,
zoals God van zijn eigen (werken).
Inderdaad, wie binnengegaan is in zijn rust opdat niemand zou vallen
in datzelfde voorbeeld van ongehoorzaamheid.

Levend, inderdaad, is het woord van God en werkzaam en snijdender dan elk tweesnedig zwaard
en doordringend tot de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg en
oordelend over overwegingen en gedachten van een hart
en geen schepsel is onzichtbaar voor hem/het woord maar alles (ligt) bloot en
weerloos voor de ogen van hem/het woord,
aan wie wij rekenschap moeten geven.

Nu wij dus een eminente hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan,
Jezus, de zoon van God, moeten wij goed vasthouden aan onze belijdenis.

4.15-5.10 Tweede sectie : de barmhartige hogepriester

We hebben inderdaad geen hogepriester die niet in staat is mee te lijden
met onze zwakheden maar één die beproefd geweest is in alles op gelijke wijze buiten de zonde.

 

Laten we dan in openheid tot de troon van de genade naderen,
opdat we barmhartigheid zouden ontvangen en genade krijgen tot tijdige hulp.

Inderdaad, elke hogepriester, uit mensen genomen, wordt voor mensen aangesteld met betrekking tot wat met God te maken heeft,
opdat hij gaven en offers zou aanbieden voor zonden,
in staat zijnde zich in te voelen in onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf aan zwakheid onderhevig is,
en hij wegens die zwakheid, zoals voor het volk, zo ook voor zichzelf (gaven en offers) moet aanbieden voor zonden.
En niemand grijpt naar die waardigheid voor zichzelf maar omdat hij geroepen is door God, juist zoals ook Aaron.

Zo heeft ook niet Christus zichzelf de eer waardig geacht hogepriester te worden
maar heeft degene die tot hem gezegd heeft:
“Jij bent mijn zoon, ik heb je heden verwekt.”
(hem benoemd) volgens wat hij ook in een andere (uitspraak) zegt:
“Jij bent priester in eeuwigheid op de wijze van Melchisedek”
(tot hem/hij) die in de dagen van zijn vlees,
nadat hij beden en smekingen tot degene die hem kon redden uit de dood met luid geschreeuw
en tranen opgedragen had
en verhoord was wegens zijn vroomheid,
(en) hoewel hij zijn zoon was,
de gehoorzaamheid geleerd heeft door wat hij geleden heeft
en, volkomen geworden,
voor al wie hem gehoorzaamden oorzaak geworden is van eeuwig heil,
door God tot hogepriester uitgeroepen op de wijze van Melchisedek.

5.11-10.39 Der de Deel : Christus, de volkomen hogepriester

5.11-6.20 Aansporende proloog met een sterk retorisch karakter

 

Hierover moeten we (nog) een lang betoog ontwikkelen en moeilijk om uit te leggen, gezien jullie weinig bekommerd zijn om wat jullie horen;
en inderdaad waar jullie met de tijd leraars moesten zijn, hebben jullie er weer nood aan dat iemand jullie onderwijst in de elementen van het begin van Gods uitspraken
en zijn jullie op het punt gekomen dat jullie (weer) nood hebben aan melk (en) niet aan vast voedsel.
Al wie van melk leeft, is onbevoegd betreffende de uiteenzetting over gerechtigheid, want hij is (nog) een kind:
voor volwassenen daarentegen is (er) het vast voedsel,
voor wie door de ervaring/gewenning hun vermogens geoefend hebben in het onderscheid tussen goed en kwaad.

Daarom, achterlatend de uiteenzetting van het begin over de Christus, moeten we ons naar de (volwassen) volkomenheid spoeden,
zonder (eerst) weer de grondslag te leggen van berouw over dode werken en geloof in God,
over onderricht van doopsels en oplegging van handen, over opstanding van doden en eeuwig oordeel.
En dit zullen we doen, als tenminste God het toelaat.

 

Onmogelijk (is het) inderdaad
dat men degenen die eenmaal verlicht werden en van de hemelse gave geproefd hebben en deelachtig geworden zijn aan heilige geest en het goede woord van God geproefd hebben en
de krachten van de komende eeuw
en die (vervolgens) afgevallen zijn –
(dat men ze) weer de vernieuwing van de bekering gunt, terwijl ze voor zichzelf de zoon van God opnieuw kruisigen en bespotten.

Een (stuk) land inderdaad, dat de regen die er vaak op neerkomt, drinkt en vruchtbaar gewas voortbrengt voor diegenen juist door wie het bewerkt wordt,
krijgt zijn deel aan zegening vanwege God;
maar één dat distels en doornen voortbrengt, wordt waardeloos geacht en is de vervloeking nabij;
het heeft als eindbestemming de verbranding.

En toch zijn we in verband met jullie, welbeminden, overtuigd van een beter perspectief en
een dat verband houdt met redding, ook als we zo (streng) spreken.

God is inderdaad niet onrechtvaardig, zodat hij jullie werk zou vergeten zijn en de liefde
die jullie betoond hebben jegens zijn naam,
door de diensten die jullie bewezen hebben aan de heiligen en die jullie blijven bewijzen.
Maar wij wensen dat elk van jullie dezelfde ijver aan de dag legt met het oog op de vervulling
van de hoop tot het einde,
opdat jullie niet onbekommerd zouden zijn maar navolgers van hen die door geloof en
volharding de beloften erven.

Toen God inderdaad aan Abraham en belofte deed, zwoer hij bij zichzelf,
opdat hij bij niemand die groter is kon zweren, met de woorden:
“Zeker, al zegenend zal ik zegenen e al vermeerderend zal ik je vermeerderen.” (Gen 22.16-22.17)
En zo heeft (Abraham) door te volharden de (vervulling van de) belofte gekregen.

Mensen inderdaad zweren bij het grotere (dan zijzelf) en voor hen is de eed ter bevestiging
het einde van alle betwisting.

En in die zin/Daarom is God,
omdat hij aan de erfgenamen van de belofte nog sterker de onherroepelijkheid
van zijn beslissing wilde bewijzen,
tussengekomen met een eed,
opdat door twee onherroepelijke daden, waarin God onmogelijk kan liegen,
wij een sterke troost zouden hebben,
wij die een toevlucht gezocht hebben in het vasthouden aan de hoop die voor ons ligt,

(de hoop) die wij hebben als een anker van de ziel, veilig en stevig en binnengaand
tot binnen het voorhangsel,
waar als voorloper voor ons Jezus binnengegaan is, (nu hij) op de wijze van Melchisedek
hogepriester geworden (is) voor eeuwig.

7.1-7.28 Eerste sectie : een ander priesterschap, fundering in de schrift

 

Deze Melchisedek inderdaad, koning van Salem, priester van de allerhoogste God,
die Abraham tegemoet kwam op zijn terugkeer van het verslaan van de koningen en hem zegende, aan wie Abraham ook een tiende van alles toebedeelde,
die eerst vertaald werd ‘koning van gerechtigheid’ en vervolgens ook ‘koning van Salem,
d.w.z. koning van vrede,
zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom, zonder begin van dagen en
zonder levenseinde, maar gelijkend geworden op de zoon van God,
blijft priester voor altijd.

Zie dan hoe groot hij is, aan wie Abraham de aartsvader een tiende gaf van het beste
van de buit.
Ook degenen uit de zonen van Levi die het priesterschap ontvangen,
krijgen de opdracht tienden te nemen van het volk volgens de wet,
d.w.z. van hun broeders, hoewel die (ook) voortkomen uit de lendenen van Abraham;
maar hij die niet afstamde van hen, heeft tienden genomen van Abraham en
heeft degenen die de beloften (gekregen) had, gezegend.

Nu wordt zonder enige tegenspraak het mindere gezegend door het betere;
en hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, daar iemand van wie getuigd wordt dat hij leeft.
En om het zo uit te drukken, langs Abraham moet Levi, die tienden heft, (zelf) tienden afdragen:
hij was inderdaad in de lendenen van zijn voorvader, toen Melchisedek hem tegemoet kwam.

Als dan de volkomenheid er door het Levitisch priesterschap was –
het volk heeft inderdaad op grond van dit priesterschap de wet ontvangen -,
waarom was het dan nog nodig geweest dat op de wijze van Melchisedek
een andere priester opstond en dat hij niet benoemd werd op de wijze van Aaron?
Als inderdaad het priesterschap gewijzigd wordt, komt er noodzakelijkerwijze
ook een verandering van wet.
Degene over wie inderdaad deze dingen gezegd worden, sluit aan bij een andere stam,
waarvan niemand te maken gehad heeft met het altaar:

Het is inderdaad duidelijk dat onze heer uit Juda opgestaan is,
over welke stam Mozes niets gezegd heeft in verband met priesters;
en het is in nog hogere mate duidelijk, als naar de gelijkenis met Melchisedek een andere priester opstaat,
die het niet geworden is volgens en wet van vleselijk voorschrift maar volgens de kracht van onvergankelijk leven.

Over hem gaat inderdaad het getuigenis:

“Jij bent priester in eeuwigheid op de wijze van Melchisedek.”
Er komt inderdaad afschaffing van een voorafgaande wet wegens het zwakke en
nutteloze (karakter) ervan – de wet heeft inderdaad niets tot volkomenheid gevoerd –
en de invoering van een betere hoop, waardoor wij nader komen tot God.

En in de mate (dat het) niet (gebeurd is) zonder eedaflegging
– de enen zijn inderdaad zonder eedaflegging priester geworden,
maar hij met eedaflegging door degene die tot hem gezegd heeft:

“De heer heeft gezworen  en hij zal er geen spijt van hebben:
jij bent priester in eeuwigheid.” -,
in die mate juist is Jezus de waarborg geworden van een beter verbond.

Ook zijn de enen met meerderen priester geworden, daar ze door de dood verhinderd werden het te blijven;
maar hij heeft, doordat hij blijft in eeuwigheid, een priesterschap dat niet voorbijgaat.
Vandaar dat hij ook bij machte is voor eeuwig te redden degenen die door hem tot God naderen,
doordat hij altijd leeft om voor hen tussen te komen.

Een dergelijke hogepriester paste precies voor ons,
een heilige, schuldeloze, onbesmette, afgescheiden van de zondaars en verhevener geworden dan de hemelen;
hij die niet de noodzaak kent dagelijks, zoals de hogepriesters,
eerst voor hun eigen zonden offers op te dragen en vervolgens voor die van het volk:
hij deed dit inderdaad eens en voor altijd, door zichzelf op te dragen.
De wet stelt inderdaad als hogepriesters met zwakheid behepte mensen aan,
maar het woord van de eedaflegging, (gekomen) na de wet, (stelt als hogepriester aan) een voor de eeuwigheid tot volkomenheid gebrachte zoon.

8.1-9.28 Tweede sectie : oud en nieuw

De hoofdzaak van wat ter sprake komt (is):
wij hebben zulk een hogepriester, die gezeten is aan de rechterkant van
de troon van de majesteit in de hemelen,
bedienaar van het heiligdom en van de waarachtige tent, dewelke de heer opsloeg, niet een mens.

Een woord van aansporing aan de vervolgende: Hebreeën Brief Spiritualiteit Evangelisatie Priesterschap Brief aan de Hebreeën

Hebreeënbrief

Inderdaad, elke hogepriester is aangesteld om gaven en offers op te dragen: vandaar de noodzaak dat ook hij (Jezus Christus) iets heeft om op te dragen.
Verbleef hij dus op aarde, dan was hij niet eens priester, gezien er diegenen zijn die volgens de wet gaven opdragen.
Dezen verrichten hun dienst voor een afbeelding en afschaduwing van de hemelse werkelijkheden,
zoals Mozes de goddelijke boodschap kreeg, toen hij de tent ging tot stand brengen:
“Zie inderdaad, zegt hij je zal alles maken volgens het model dat jou op de berg is getoond.”
In feite heeft (Jezus Christus) een wel verschillende bediening gekregen,
in de mate dat hij ook de middelaar is van een beter verbond, dat wettelijk ingesteld is op grond van betere beloften.

Als inderdaad dat eerste verbond onberispelijk was, dan werd er geen plaats gezocht voor een tweede; hen inderdaad berispend zegt hij:
“Kijk, er komen dagen, zegt de heer, en ik zal voor het huis van Israël en voor het huis van Juda een nieuw verbond sluiten,
niet volgens het verbond dat ik gemaakt voor hun vaderen op de dag dat ik hun hand genomen heb om hen weg te leiden uit het land Egypte;
omdat zij niet bleven in mijn verbond, heb ook ik hen verwaarloosd, zegt de heer:
wanneer ik mijn wetten geef, zal ik ze in hun geest en in hun hart inschrijven en
zal ik voor hen hun God zijn en zullen zij voor mij mijn volk zijn.
En ze zullen niet elk zijn medeburger onderrichten en elk zijn broeder, met de woorden:
‘Ken de heer’,
omdat ik genadig zal zijn voor hun ongerechtigheden en ik mij hun zonden niet meer zal herinneren.”

Het eerste verbond had dus ook wel rituelen voor dienst en een heilige plaats die van deze wereld was.
Het was inderdaad als tent ingericht, dat eerste: daarin bevonden zich de kandelaar en
de tafel en het tonen van de broden: dit werd het heilige genoemd.
Voorbij het tweede voorhangsel was het tentgedeelte dat het heilige der heiligen genoemd werd,
met en gouden reukofferaltaar en met de ark van heet verbond, van alle kanten omhuld door goud,
met daarin de gouden vaas met het manna en de staf van Aaron die gebloeid had en de verbondstafelen
en daarop Cheroubim van heerlijkheid die het verzoekdeksel overschaduwen.
Op die dingen is het nu niet mogelijk in detail in te gaan.
Gezien die zaken zo ingericht zijn, gaan in de eerste tent de priesters te allen tijde
binnen voor het uitoefenen van de eredienst
maar gaat in de tweede eenmaal per jaar alleen de hogepriester binnen,
niet zonder (zich te voorzien) van bloed, dat hij opdraagt voor zichzelf en
voor de tekortkomingen van het volk,
waarbij de heilige geest dit duidelijk maakt, dat de toegang tot het heiligdom nog niet getoond is,
zolang de eerste tent haar plaats behoudt,
wat een zinnebeeld is van de tegenwoordige tijd,
volgens hetwelk gaven en offers opgedragen worden, die niet bij machte zijn de bedienaar
in zijn geweten tot volkomenheid te brengen,
enkel maar riten van vlees, steunend op spijzen en dranken en verschillende reinigingen,
opgelegd tot aan een tijd van een beter bestel.

Nu Christus gekomen is als hogepriester van verwerkelijkte goede dingen
door de grotere en volkomener tent, niet door mensenhanden gemaakt,
dit betekent niet tot deze geschapen wereld behorend,
en  niet door bloed van bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed,
is hij eens en voor altijd in het heiligdom binnengegaan, een eeuwige verlossing gevonden hebbend.
Als inderdaad het bloed van bokken en stieren en de as van een vaars,
besprenkeld verontreinigden, hen heiligt met betrekking tot de reinheid van het vlees,
hoeveel te meer zal da het bloed van Christus, die door eeuwige geest
zichzelf smetteloos opgedragen heeft aan God,
ons geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen.

En om die reden is hij middelaar van een nieuw verbond/testament,
opdat,
door het plaatshebben van een sterven tot bevrijding van de overtredingen
(begaan) onder het eerste verbond,
de geroepenen de belofte van het eeuwig erfdeel zouden ontvangen.
Inderdaad, waar er een testament is, is het nodig dat de dood van de erflater wordt aangetoond.
Een testament is inderdaad (pas) geldig in geval van overlijden, gezien het nooit van kracht is,
wanneer de erflater nog leeft.

 

Daarom is ook het eerste testament niet ingewijd zonder bloed.
Toen inderdaad elk gebod volgens de wet door Mozes afgekondigd was aan heel het volk,
heeft Mozes, na het bloed van de kalveren (en de bokken) met water en scharlaken wol en hysop genomen te hebben, het boek zelf en heel het volk besprenkeld,
terwijl hij zei: “Dit is het bloed van het verbond dat God jullie als opdracht gegeven heeft.”
En ook de tent en alle cultusvoorwerpen heeft hij op dezelfde wijze met bloed besprenkeld.
En ongeveer alles wordt met bloed gereinigd volgens de wet, en zonder bloedvergieten is er geen vergiffenis.

Het was dus nodig dat de afbeeldingen van de hemelse zaken door deze middelen gereinigd werden
maar dat de hemelse zaken zelf gereinigd werden door nog krachtiger offers aan die eerst voorbij.

Christus is inderdaad niet een door mensenhanden gemaakt heiligdom binnengegaan, een afbeelding van het waarlijke,
maar in de hemel zelf, om nu voor ons voor het gelaat van God te verschijnen.
En  (het is) ook niet om zichzelf herhaaldelijk aan te bieden, zoals de hogepriester jaarlijks het heilige binnengaat met vreemd bloed,
gezien hij dan herhaaldelijk had moeten lijden vanaf de grondvesting van de wereld;
in feite is hij eens en voorgoed verschenen bij de voltooiing van de eeuwen tot delging van de zonde door zijn offer.
En zoals het bepaald is voor de mensen een maal te (moeten) sterven en daarna het oordeel (volgt),
zo zal ook Christus, nadat hij eenmaal opgedragen is om de zonden van velen op zich te nemen,
en tweede keer verschijnen zonder (met de) zonde (te maken te hebben) aan wie hem verwachten tot hun redding.

10.1-10.18 Derde sectie : het enige werkzame offer

 

Daar de wet (slechts) een afschaduwing heeft van de komende goederen en niet de uitdrukking zelf van de zaken,
kan hij nooit jaar na jaar door dezelfde offers die men altijd weer opdraagt, degenen die naderbij komen tot volkomenheid brengen;
want zouden ze niet opgehouden hebben gebracht te zijn,
doordat de bedienaars, eens en voorgoed gereinigd, geen besef meer zouden gehad hebben van zonden?
Maar bij die offers is er jaar na jaar de herinnering aan zonden.

Het is inderdaad onmogelijk dat bloed van stieren en bokken zonden wegneemt.
Daarom zegt hij, als hij in de wereld komt:
“Slachtoffer en offergave heb jij niet gewild, maar een lichaam heb jij voor mij bereid;
brandoffers en offers voor de zonden heb je niet goedgevonden.

Toen zei ik: ‘Zie, ik ben gekomen – in en boekrol is (het) over mij geschreven – om,
God, jouw wil te doen.”
daarvoor al zeggend:
“Offers en offergaven en brandoffers en (offers) voor de zonden heb je niet gewild en
evenmin goed gevonden.”
die (toch) volgens de wet opgedragen worden,
en dan heeft hij gezegd:
“Zie, ik ben gekomen om jouw wil te doen.”

Hij schaft het eerste af om het tweede in te stellen;
door welke wil wij geheiligd zijn door het opdragen van het lichaam van Jezus Christus eens en voorgoed.

En iedere priester staat dagelijks recht om de dienst te verzorgen en telkens
weer dezelfde offers op te dragen die nooit de zonden kunnen wegnemen;
Hij daarentegen heeft, door voor zonden één offer op te dragen,
zich voor altijd neergezet aan de rechterhand van God, voor het overige afwachtend
tot zijn vijanden als een voetbank onder zijn voeten worden gelegd.
Inderdaad, door één offergave heeft hij hen die zich laten heiligen voor altijd tot volkomenheid gebracht.

Ook brengt ons de heilige geest een getuigenis.
Inderdaad, na gezegd te hebben:
“Dit is het verbond dat ik met hen zal sluiten na die dagen”
zegt de heer:
“Wanner ik mijn wetten geef, zal ik ze in hun harten en in hun verstand inschrijven,
en hun zonden en hun ongerechtigheden zal ik mij niet langer herinneren.”
Waar er vergiffenis is van dit (kwaad), is er geen offergave meer voor de zonde.

 

10.19-10.39 Aansporende Epiloog

Nu wij dus, broeders, openheid hebben met betrekking tot de toegang tot het heiligdom
door het bloed van Jezus,
de nieuwe en levende weg die hij geopend heeft door heen het voorhangsel,
dit is zijn vlees,
en wij een hogepriester hebben (aangesteld) over het huis van God,

Laten we nader komen met een oprecht hart in volheid van geloof,
gereinigd wat de harten betreft van kwaadwillig geweten

En gewassen wat het lichaam betreft met zuiver water,
laten we aan de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden –
hij die de belofte deed, is betrouwbaar –

En laten we elkaar in het oog houden om elkaar aan te moedigen in liefde en goede werken,
zonder weg te blijven van onze bijeenkomsten, zoals bij sommigen de gewoonte is,
maar (elkaar) bemoedigend en (dit) des te meer naarmate jullie de dag zien naderen.

 

Inderdaad, als wij moedwillig blijven zondigen na de volle kennis van de waarheid ontvangen te hebben,
blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een schrikwekkende verwachting van oordeel en de ijver van een vuur dat de tegenstanders zal verslinden.
Als iemand de wet van Mozes genegeerd heeft, moet hij zonder mededogen op grond van twee of drie getuigenissen sterven.
Een hoeveel ergere straf denken jullie dat zal verdienen
hij die de zoon van God veracht en die het bloed van het verbod waardoor hij geheiligd wordt, als profaan beschouwt en die de geest van de genade beledigt?
We kennen inderdaad degene die gezegd heeft:
“Aan mij de bestraffing, ik zal vergelden.”
en weer:
“De heer zal zijn volk oordelen.”
Verschrikkelijk is het te vallen in de handen van de levende God.

Maar herinner jullie de dagen van weleer, toen jullie, het licht ontvangen hebbend, een zware wedstrijd van lijden doorstaan hebben,
enerzijds openlijk blootgesteld aan beschimpingen en vervolgingen, anderzijds solidair geworden met hen die zo behandeld werden.
En inderdaad, jullie hebben mee geleden met de gevangen en jullie hebben
met vreugde de inbeslagname van jullie goederen aanvaard,
in het besef dat jullie een beter en blijvend bezit hebben.
Gooi dus die openheid van jullie niet weg die een grote vergelding bevat.

Inderdaad, jullie hebben nood aan volharding, opdat jullie, door Gods wil gedaan te hebben,
(de vervulling van) de belofte zouden bekomen.
“Nog een heel klein beetje (tijd), inderdaad, (en) degene die komende is,
zal er zijn en zal niet langer uitblijven.
Mijn rechtvaardige zal door geloof leven, en als hij het opgeeft,
vindt mijn ziel geen welbehagen in hem.”
Maar wij zijn geen (mensen) van opgeven tot ondergang,
maar van geloof tot behoud van (onze) ziel.

11.1-12.13 Vierde deel : de vereniging met de hogepriester Christus
door het geloof en de volharding

11.1-11.40 Eerste sectie : geloof van de ouden

Het geloof nu is een wijze van reeds bezitten van wat verhoopt wordt,
een middel om de zaken te kennen die niet gezien worden;
door hun geloof kregen de ouden een (positief) getuigenis (omtrent henzelf).

Door geloof begrijpen wij dat de eeuwen ineengevoegd werden door een woord van God,
zodat uit het niet verschijnende het zichtbare ontstaan is.

 

Door geloof heeft Abel een waardevoller offer, aan Kaïn voorbij, aan God opgedragen,
door welk geloof hij het getuigenis ontving dat hij rechtvaardig was,
toen God zelf getuigde over zijn gaven, en door welk geloof hij, na zijn dood, nog spreekt.

Door geloof werd Henoch overgebracht om de dood niet te (hoeven) zien en werd hij niet (meer) gevonden, omdat God hem overgebracht had:
inderdaad, voor die overbrenging, (zo) heeft hij het (schrift) getuigenis ontvangen, had hij aan God behaagd,
en zonder geloof is het niet mogelijk (aan God) te behagen;
want het is nodig dat wie God nadert gelooft dat hij bestaat en dat hij de beloner is van wie hem zoeken.

Door geloof heeft Noach, van godswege gewaarschuwd over wat geenszins zichtbaar was, (en aldus) op zijn hoede zijnde/de godspraak ernstig nemende,
een ark gebouwd tot redding van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en erfgenaam werd van de gerechtigheid volgens geloof.

Door geloof heeft Abraham, (door God) geroepen, gehoorzaamd weg te trekken naar een plaats, die hij als erfdeel moest krijgen,
en hij is weggegaan zonder te weten waar hij heen trok.
Door geloof ging hij verblijven in een land van de belofte als in een vreemd land,
in tenten wonend met Isaak en Jakob, de mede-erfgenamen van dezelfde belofte:
hij zag inderdaad uit naar de stad met fundamenten, waarvan God ontwerper en bouwer is.

Door geloof kreeg Sara, ook zij, vermogen tot stichting van nakomelingschap en
(dit) voorbij de geschikte leeftijd,
daar ze degene die de belofte gedaan had, geloofwaardig vond:
daarom ook zijn (er) uit één (man) geboren, en dan nog uit één die reeds door de dood getekend was,
in aantal als de sterren aan de hemel en als de niet te tellen zandkorrels aan het strand van de zee.

In geloof zijn zij allen gestorven, zonder de belofte ontvangen te hebben,
maar ze van ver gezien en begroet hebbend, en beleden hebbend dat zij vreemdelingen
en voorbijgangers waren op aarde:
inderdaad, wie zo spreken, geven te kennen dat zij op zoek zijn naar een vaderland;
en als ze zich het vaderland herinnerd hadden, waaruit ze weggetrokken waren,
dan hadden ze een gelegenheid gevonden om terug te keren;
in feite verlangen ze naar een beter vaderland, dit is een hemels.
Daarom schaamt God zich niet tegenover hen hun God genoemd te worden:
hij heeft hen inderdaad een stad bereid.

Door geloof heeft Abraham Isaak opgedragen, toen hij op de proef gesteld werd,
en zijn eniggeborene droeg hij op, hij die de beloften ontvangen had (en) tot wie gezegd was:
“Door Isaak zal jou een nageslacht genoemd worden.”
waarbij hij bedacht dat God bij machte is ook uit de doden op te wekken;
vandaar ook dat hij hem in voorafbeelding (terug) gekregen heeft.

Door geloof ook, in verband met wat nog moest komen, zegende Isaak Jakob en Esau.

Door geloof zegende Jakob, op het punt te sterven, elk van de zonen van Jozef en
wierp hij zich neer (steunend) op het uiteinde van zijn staf.
Door geloof maakte Jozef, op het einde van zijn leven, melding van de uittocht
van de zonen van Israël en gaf hij een opdracht omtrent zijn gebeente.

Door geloof werd Mozes bij zijn geboorte drie maanden lang verborgen gehouden door zijn ouders,
omdat ze zagen dat het kindje innemend was,
en ze waren niet bevreesd voor de verordening van de koning.
Door geloof zag Mozes, grot geworden, ervan af oor zoon van de dochter van Farao door te gaan,
uitdrukkelijk verkiezend samen met het volk van God mishandeld te worden liever
dan tijdelijk genot van zonde te hebben,
als een groter rijkdom dan de schatten van Egypte de smaad van Christus beschouwend;
hij had inderdaad de ogen gericht op de verloning.
Door geloof verliet hij Egypte zonder vrees voor de woede van de koning; inderdaad
als ziende de onzienlijke hield hij vol.

Door geloof heeft hij Pesach gehouden en het uitstrijken van het bloed,
opdat de verdelger hun eerstgeborenen niet zou raken.
Door geloof trokken ze door de Rode Zee als over droog land, maar toen de Egyptenaren het probeerden,
werden zij verzwolgen.
Dor geloof zijn de muren van Jericho ingestort, nadat men er zeven dagen lang omheen getrokken was.
Door geloof is de prostituée Rachab niet omgekomen samen met de ongelovigen,
omdat ze de verspieders in vrede ontvangen had.

En wat kan ik (daar) nog (aan) toevoegen?

 

De tijd zal mij inderdaad ontbreken als ik inga op het verhaal van Gideo, Barak, Simson, Jefta, van David en Samuel en de profeten,
die door geloof koninkrijken onderworpen hebben, gerechtigheid bewerkt, (de vervulling van) beloften bekomen hebben,
leeuwenmuilen gesloten hebben, macht van vuur gedoofd, aan muilen van het zwaard ontkomen zijn,
zich hernomen hebben na ziekte, sterk geworden zijn in oorlog, invallen van vreemden afgeweerd hebben.
Vrouwen kregen door opstanding hun doden terug;

Maar anderen werden gefolterd zonder de vrijlating te aanvaarden, om een betere opstanding te verkrijgen.
Nog anderen maakte de ervaring mee van bespotting en zweepslagen, ook van boeien en gevangenis;
ze werden gestenigd, doormidden gezaagd, kwamen om door moord van zwaard,
ze trokken rond in schapenvachten, in geitenvellen, achteruitgesteld, verdrukt,
mishandeld, hen die de wereld niet waardig was,
zwerven in woestijnen en bergen en grotten en holen in de grond.

En al dezen, over wie een (goed) getuigenis gegeven werd door hun geloof,
hebben (de vervulling van) de belofte niet bekomen,
daar God omtrent ons iets beters voorzien had, opdat zij niet zonder ons
de volkomenheid zouden bereikt hebben.

12.1-12.13 Tweede sectie : noodzakelijke volharding

 

Laten daarom ook wij,
zo’n grote wolk van getuigen rond ons hangen hebbend, (en) verworpen hebbend al wat ons bezwaart en de zonde die ons zo goed weet in te sluiten,
door standvastigheid de voor ons liggende wedstrijd lopen,
opkijkend naar de aanvoerder en voltooier van het geloof, Jezus,
die in plaats van de voor hem liggende vreugde het kruis verduurd heeft, met minachting van de schande, en zich neergezet heeft aan de rechterzijde van Gods troon.
Beschouw inderdaad degene die vanwege de zondaars zulk een tegenspraak tegen hemzelf verduurd heeft,
opdat jullie niet zouden bezwijken, ontmoedigd in jullie ziel.

Jullie hebben nog niet tot bloedens toe weerstand geboden in jullie strijd tegen de zonde,
en jullie zijn de bemoediging vergeten die zich toch tot jullie richt als tot zonen:
“Mijn zoon, minacht de tucht van de heer niet, en word niet ontmoedigd als je door hem terechtgewezen wordt:
inderdaad, de heer tuchtigt wie hij liefheeft, hij geselt elke zoon die hij opneemt.”

Met het oog op tuchtiging verduren jullie (dit); als tegenover zonen gedraagt
God zich tegenover jullie; welke zoon (is er) inderdaad, dewelke een vader niet tuchtigt?
Als jullie dan buiten de tuchtiging vallen, waar allen deelachtig aan geworden zijn,
zijn jullie toch wel bastaards en geen (echte) zone.
Vervolgens hebben wij de vaders van ons vlees als tuchtigers en respecteren wij hen;
zullen wij dan niet nog veel meer onderworpen zijn aan de vader van onze geest en leven?

Eerstgenoemden inderdaad hebben ons voor weinige dagen (en) naar hun goeddunken getuchtigd;
maar (God) deed het tot ons voordeel, opdat wij zouden deel hebben aan zijn heiligheid.
Elke tuchtiging dan lijkt op het moment zelf iets te zijn dat niet met vreugde maar
met verdriet te maken heeft;
maar later levert ze een vredige vrucht op voor wie door haar geoefend werden,
(een vrucht) van gerechtigheid.

Richt daarom de slappe handen en de lamme knieën weer op
en maak recht paden voor jullie voeten, opdat het manke (lid) niet ontwricht geraakt maar veeleer geneest.

12.14-13.18 Vijfde deel : oproep tot een goed gerag door het nastreven van de heiligheid en de vrede

 

Streef naar vrede met allen en heiliging, zonder dewelke niemand de heer zal zien,

er op toeziend dat niemand zich van de genade van God verwijdert,
dat geen wortel van bitterheid, al opschietend, last berokkent en daardoor velen bezoedeld geraken,
dat niemand ontuchtig zij of onvroom, zoals Esau, die voor één (enkele) maaltijd zijn recht van eerstgeborene verkocht.
Jullie weten inderdaad dat, toen hij achteraf de zegen wilde ervan, hij afgewezen geworden is;
hij vond inderdaad geen gelegenheid om een verandering van gezindheid te bewerken, hoewel hij die onder tranen gezocht had.

Jullie zijn inderdaad niet genaderd tot iets dat aangeraakt kan worden en dat verteerd werd door vuur
en tot donkerte en duisternis en storm en trompetgeschal en klank van woorden,
waarbij degenen die hem hoorden, smeekten dat hun geen woord (meer) zou toegevoegd worden.
Ze verdroegen inderdaad het bevel niet:
“Zelfs als een wild dier de berg aanraakt, zal het gestenigd worden.”
en – zo vreeswekkend was hetgeen verscheen – Mozes zei:
“Ik ben verschrikt en ik sidder.”

 

Maar jullie zijn de berg Sion genaderd en een stad van een levende God, het hemelse Jeruzalem,
en myriaden engelen in feestbijeenkomst en een vergadering van eerstgeborenen, di in de hemelen zijn ingeschreven,
en God, rechter van allen, en geesten van tot volkomenheid gevoerde rechtvaardigen
en Jezus, middelaar van een nieuw verbond, en bloed van besprenkeling, dat sterker spreekt aan Abel voorbij.

Zie dat je hem die spreekt niet afwijst:
inderdaad, als zij daar niet ontkomen zijn, toen zij degene die op aarde een godspraak bracht, afwezen,

(geldt dit) des te meer voor ons, als wij degene die vanuit de hemelen spreekt, verwerpen,
hij van wie de stem toen de aarde deed beven en die nu de belofte gedaan heeft met de woorden:
“Nog eenmaal zal ik niet alleen de aarde doen bewegen maar ook de hemel.”
De woorden ‘nog eenmaal’ nu wijzen op de veranderlijkheid van wat aan het wankelen wordt gebracht,
als geschapen werkelijkheid,
opdat hetgeen niet wankelt blijvend zou zijn.
Laten we daarom, doordat we een onwankelbaar koninkrijk ontvangen hebben,
dankbaarheid kennen
en laten we daardoor God dien op een wijze die hem behaagt met eerbied en vrees:
en inderdaad, onze God is een verterend vuur.

13.1-13.6 aansporing de vrede met allen te behouden

Dat de broederlijke liefde blijve.
De gastvrijheid mogen jullie niet vergeten: door haar hebben inderdaad sommigen
zonder het te beseffen engelen als gasten gehad.
Denk aan de gevangenen, als zijnde medegevangenen, aan hen die mishandeld worden,
als wezens die zelf ook een lichaam hebben.

Het huwelijk (moet) iets kostbaars (zijn) in alle opzichten en het bed (moet) onbezoedeld (blijven); inderdaad, God zal de ontuchtigen en overspeligen oordelen.
Zonder geldzucht (moet) jullie manier van leven (zijn); (wees) tevreden met wat er is; inderdaad, (God) heeft zelf gezegd:
“Ik zal je zeker niet alleen laten en je niet in de steek laten.”
zodat we met vertrouwen kunnen zeggen:
“De heer is mijn helper, ik zal niet vrezen. Wat kan en mens mij aandoen?”

Denk aan jullie leiders, die tot jullie Gods woord gesproken hebben, van wie jullie, door de afloop van hun gedragswijze te beschouwen, het geloof moeten navolgen.

Jezus Christus, gisteren en vandaag, dezelfde, en tot in eeuwigheid.

Laat jullie niet verleiden door uiteenlopende en vreemde leerstelsels:
want het is goed dat het hart gesterkt wordt door genade en niet door spijzen, waardoor degenen die deze weg bewandelen, niet geholpen worden.
Wij hebben een altaar, waarvan niet gemachtigd zijn te eten degenen die dienen in de tent:
want de dieren waarvan het bloed voor de zonde door de hogepriester in het heiligdom gebracht wordt,
daarvan worden de lichamen verbrand buiten het kamp.
Daarom ook heeft Jezus, opdat hij door zijn eigen bloed het volk zou heiligen,
buiten de poort zijn lijden ondergaan;
laten we bijgevolg naar hem toegaan buiten het kamp, zijn smaad dragend.
Hier inderdaad hebben we geen blijvende stad maar we zijn op zoek naar de komende stad.

Laten we dus door hem altijd een offer van lof opdragen aan God, dit is een vrucht van
lippen die zijn naam belijden;

En vergeet het weldoen en de gemeenschap niet; want door dergelijke offers wordt God
een genoegen gedaan.

Gehoorzaam aan jullie leiders en voeg jullie naar hen – want zij waken over jullie zielen,
als moesten ze er rekenschap van geven –
opdat ze dit met vreugde zouden doen en niet al zuchtend; want dat zou jullie geen voordeel opleveren.

Bid voor ons; want wij zijn overtuigd dat wij een goed geweten hebben,
daar wij ons in alles goed willen gedragen.

Des te nadrukkelijker vraag ik jullie dit te doen, opdat ik sneller aan jullie zou teruggegeven worden.

13.20-13.21 Slotwens en doxologie

En dat de God van de vrede,

Die uit de doden opgevoerd heeft de grote herder van de schapen in een bloed
van eeuwig verbond, onze heer Jezus,
jullie uitrustte met alle goed om zijn wil te doen,
door in jullie te bewerken wat aangenaam is voor zijn ogen door Jezus Christus,
aan wie de heerlijkheid in de eeuwen der eeuwen! Amen.

 

Een woord van aansporing aan de vervolgende: Hebreeën Brief nederlandse vertaling van het Hebreeën bijbelboek door Paul Thoen

 

13.22-13.25 Begeleidend briefje

Ik roep jullie dan op, broeders, verdraag mijn woord van aansporing:
inderdaad in weinig (woorden) heb ik (het) jullie gezonden.
Weet dat onze broeder Timotheüs’ vrijgelaten is, met wie, als hij tamelijk snel komt,
ik jullie zal zien.
Groet al jullie leiders en al de heiligen. Die uit Italië groeten jullie.
De genade met jullie allen!

 

 

Deel uw gedachten met ons want samen kunnen we opzettelijk de wereld verrijken door waarde bij elkaar toe te voegen.